Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[verzoekster],
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de grootouders,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De grootouders hebben bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep verzocht om de kinderen [kind 1] en [kind 2] bij hen te plaatsen, met als hoofdverblijfplaats. De kinderen waren onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij pleegouders. De rechtbank verklaarde de grootouders niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een belang en wees het verzoek van de moeder af omdat zij de plaatsing bij de pleegouders accepteerde.
In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing. Het hof overwoog dat er geen wettelijke basis bestaat voor het verzoek van de grootouders tot netwerkplaatsing en dat zij geen belang hebben in de zin van artikel 3:303 BW Pro om dit verzoek te doen. Het hof wees ook het argument af dat het gezinsleven tussen grootouders en kinderen hen een dergelijk verzoek zou kunnen doen toekomen.
Het hof stelde vast dat andere juridische middelen ter bescherming van het kind beschikbaar zijn en dat het verzoek van de grootouders zinloos is en onnodige kosten en tijd veroorzaakt. Daarom werd de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2018 bekrachtigd met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de grootouders tot plaatsing van de kinderen bij hen af wegens ontbreken van wettelijke basis en belang.