ECLI:NL:GHARL:2019:3016

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 april 2019
Publicatiedatum
4 april 2019
Zaaknummer
WAHV 200.209.612
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens overschrijding maximumsnelheid op provinciale weg

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd met een boete van €106 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid van 60 km/u op een provinciale weg buiten de bebouwde kom. De overtreding vond plaats op 16 december 2015 op de Noordzijde te Bodegraven.

De gemachtigde van de betrokkene voerde in hoger beroep aan dat de bebording niet voldeed aan de uitvoeringsvoorschriften en dat er geen rechtsgeldige verkeersbesluiten bestonden die de maximumsnelheid van 60 km/u regelden op die locatie. De gemachtigde stelde dat het verkeersbesluit van 10 juni 2002 niet van toepassing was.

Het hof stelde vast dat het verkeersbord A1 met de maximumsnelheid van 60 km/u correct was geplaatst en dat het verkeersbesluit ten tijde van de overtreding rechtskracht bezat. Er was geen bestuursrechtelijke vernietiging of intrekking van het besluit met terugwerkende kracht. De stelling van de gemachtigde dat er geen juridische basis was voor de snelheid was daarom ongegrond.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep ongegrond. De sanctie werd als billijk en rechtmatig beoordeeld.

Uitkomst: De boete van €106 wegens overschrijding van de maximumsnelheid van 60 km/u wordt bevestigd.

Uitspraak

WAHV 200.209.612
4 april 2019
CJIB 194845811
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 21 december 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal om aanvullende informatie verzocht.
De advocaat-generaal heeft in reactie hierop bericht dat hij zijn conclusie zoals verwoord in het verweerschrift handhaaft.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 106,- opgelegd ter zake van “Overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 13 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 16 december 2015 om 13:08 uur op de Noordzijde te Bodegraven met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert hiertegen aan dat de bebording niet voldoet aan de eisen die de uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens daaraan stellen. De gemachtigde merkt daarbij op dat dit tot onduidelijkheid of verwarring kan leiden, zowel bij weggebruikers als bij verkeershandhavers. Voorts voert de gemachtigde aan dat er geen juridische basis voor is dat op de plaats waar de gedraging zou zijn verricht een maximumsnelheid van 60 km per uur geldt, aangezien een verkeersbesluit daartoe ontbreekt. Hij wijst daarbij op het verkeersbesluit van 10 juni 2002, kenmerk DRM/02/4858, dat de wegbeheerder -de provincie Zuid-Holland- hem desgevraagd ter beschikking heeft gesteld.
3. Niet betwist is dat met het voertuig van de betrokkene een gecorrigeerde snelheid van 73 km per uur werd gereden. De gemachtigde betwist dat ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km per uur gold.
4. Uit het zaakoverzicht volgt dat ter plaatse een bord A1 was geplaatst waarop als maximumsnelheid 60 kilometer per uur stond aangegeven. De stelling van de gemachtigde dat de bebording niet voldoet aan de eisen die de uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens daaraan stellen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat aan de aanwezige bebording geen betekenis toekomt. Volgens vaste jurisprudentie van het hof staat het niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij gevolg geven aan dat teken de veiligheid op weg in gevaar zou worden gebracht (vergelijk Hoge Raad 4 december 1984, gepubliceerd in Verkeersrecht 1985, 39). Dat is hier niet het geval. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. De vaststelling dat de gedraging is verricht, betekent op zichzelf niet dat een sanctie moet worden opgelegd. Uit artikel 9, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) volgt dat geen sanctie mag worden opgelegd indien dat, gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, niet billijk is.
6. Deze bepaling brengt mee dat indien in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen tegen de oplegging van een sanctie op grond van de Wahv de rechtmatigheid van de bebording en het daaraan ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt betwist, door de officier van justitie in administratief beroep en de rechter zal moeten worden onderzocht of dat besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had en of dat besluit niet later in een bestuursrechtelijke procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht tot (vóór) het tijdstip van de gedraging is ingetrokken. Dat onderzoek, waartoe overigens slechts reden bestaat indien ter zake een met redenen omkleed en zo mogelijk met stukken onderbouwd verweer is gevoerd, strekt ertoe dat wordt vastgesteld dat de verplichting om gevolg te geven aan een verkeersteken, die voortvloeit uit de aanwezige bebording, stoelt op een deugdelijke wettelijke grondslag. Zo'n grondslag is vereist om het niet gevolg geven aan die verplichting te bestraffen met de oplegging van een sanctie, die inbreuk maakt op het eigendomsrecht van een betrokkene (vgl. het arrest van 9 november 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:9801).
7. In het onderhavige geval blijkt niet dat de met borden aangegeven maximumsnelheid van 60 kilometer per uur ten tijde van de gedraging geen deugdelijke juridische grondslag had. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de snelheid is gemeten bij hectometerpaal 44, terwijl in het verkeersbesluit dat de gemachtigde heeft overgelegd onder III d staat dat op de provinciale weg N 458 door plaatsing van borden A1 en A2 een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur wordt ingesteld voor het gedeelte tussen km 43.300 en km 45.965. Voorts kan uit het begeleidend schrijven van de wegbeheerder aan de gemachtigde worden afgeleid dat dit besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had en dat het niet later in een bestuursrechtelijk procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht is ingetrokken.
8. Gelet op het voorgaande gaat de stelling van de gemachtigde, dat er geen juridische basis voor een maximumsnelheid van 60 km is, niet op.
9. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.