AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij wijziging verblijfplaats minderjarige
In deze civiele zaak staat de wijziging van de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind centraal. De gecertificeerde instelling (GI) had bij de rechtbank toestemming gevraagd om het verblijf van het kind te wijzigen van de pleegouders naar de grootmoeder, maar dit verzoek werd afgewezen. Zowel de grootmoeder als de GI gingen in hoger beroep tegen deze beslissing.
De pleegouders voerden verweer en stelden dat de verzoeken niet-ontvankelijk moesten worden verklaard. Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:336a BW een voogd niet zonder toestemming van de pleegouders de verblijfplaats kan wijzigen als het kind langer dan een jaar met instemming van de voogd bij de pleegouders verblijft. Daarnaast is op grond van artikel 807 RvPro tegen een beschikking op grond van artikel 1:336a BW geen hoger beroep mogelijk, behalve cassatie in het belang der wet.
De grootmoeder stelde dat het appelverbod doorbroken moest worden omdat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van artikel 1:336a BW toepaste in plaats van artikel 1:265i BW, en omdat er sprake was van een family-life en hechting. Het hof oordeelde dat deze argumenten niet voldeden aan de criteria voor doorbreking van het appelverbod. De rechtbank had het toepasselijke wettelijke kader juist toegepast en de belangen van het kind voldoende meegewogen.
Daarom verklaarde het hof de grootmoeder en de GI niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. De beschikking werd op 28 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De grootmoeder en de gecertificeerde instelling worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van het kind.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.249.903 en 200.251.744
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 469008)
beschikking van 28 februari 2019
inzake:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep in de procedure met zaaknummer 200.249.903,
verder te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verzoekster in hoger beroep in de procedure met zaaknummer 200.251.744,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn in beide procedures aangemerkt:
[pleegouder 1] ,
en
[pleegouder 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de pleegouders,
advocaat: mr. M. Kramer te Amsterdam.
Als informanten zijn aangemerkt:
in de beide procedures:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de vader,
in de procedure met zaaknummer 200.251.744
De Rading,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: de Rading.
1.Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedures blijkt uit:
het beroepschrift met producties van de grootmoeder, ingekomen op 19 november 2018;
het beroepschrift met producties van de GI, ingekomen op 21 december 2018;
het verweerschrift van de pleegouders tegen het beroep van de grootmoeder;
het verweerschrift van de pleegouders tegen het beroep van de GI, en
een journaalbericht van mr. Kramer van 17 januari 2019 met een productie.
2.2
De zaken zijn gezamenlijk behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2019 . De grootmoeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [medewerker 1 GI] en [medewerker 2 GI] . De pleegouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De vader is niet verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. Namens de Rading is niemand verschenen.
3.De feiten
3.1
De vader en [de moeder] (verder te noemen: de moeder) zijn de ouders van:
- [kind] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2014.
De vader heeft [kind] erkend.
3.2
De moeder is sinds 16 augustus 2017 vermist. Op 19 oktober 2017 is [kind] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Op die datum is eveneens een machtiging afgegeven voor haar uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor dezelfde duur.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 oktober 2018 is voor recht verklaard dat het gezag van de moeder over [kind] is geschorst en is de GI op grond van artikel 1:253q jo 253r Burgerlijk Wetboek (BW) benoemd tot voogd van [kind] .
3.4
[kind] verblijft sinds 22 juli 2017 bij de pleegouders.
4.De omvang van het geschil
4.1
In geschil is de hoofdverblijfplaats van [kind] .
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de GI om toestemming te verlenen om het verblijf van [kind] te wijzigen van de pleegouders naar de grootmoeder afgewezen.
4.2
Zowel de grootmoeder als de GI zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken - ieder afzonderlijk - om die beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI in eerste aanleg, om toestemming te verlenen om het verblijf van [kind] te wijzigen van de pleegouders naar de grootmoeder, alsnog toe te wijzen.
4.3
De pleegouders hebben in beide procedures verweer gevoerd. Zij verzoeken het hof om de grootmoeder en de GI in hun verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5.De motivering van de beslissing
5.1
Op grond van artikel 1:336a, eerste lid, BW kan een voogd niet zonder toestemming van de pleegouders waar een kind langer dan een jaar met instemming van de voogd verblijft, de verblijfplaats van dat kind wijzigen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de voogd aan de rechter verzoeken om vervangende toestemming, die slechts wordt verleend als dit in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 807 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:336a BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
5.3
Mr. De Gruijl heeft namens de grootmoeder betoogd dat dit appelverbod om de navolgende redenen zou moet worden doorbroken. De rechtbank had volgens hem, gelet op de omstandigheid dat er op dat moment pas een maand sprake was van voogdij van de GI (die het inleidend verzoek heeft gedaan), ook kunnen oordelen op basis van artikel 1:265i BW, waarvan de aard vrijwel gelijk is en in welk geval hoger beroep wel mogelijk was geweest. Bij de grootmoeder is steeds een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de verblijfplaats van [kind] zou worden gewijzigd. Bovendien is er sprake van family-life en hechting tussen de grootmoeder en [kind] .
5.4
Het hof oordeelt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak is ondanks een appelverbod hoger beroep mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.
5.5
Naar het oordeel van het hof leidt hetgeen namens de grootmoeder door mr. De Gruijl is aangevoerd niet tot een van de hiervoor vermelde doorbrekingsgronden op basis waarvan een uitzondering zou moeten worden gemaakt op het appelverbod. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking uitgebreid gemotiveerd dat, ondanks het feit dat nog maar kort sprake is van voogdij, toch het toetsingskader van artikel 1:336a BW dient te worden toegepast en niet dat van artikel 1:265i BW, dat ziet op gevallen waarin sprake is van een ondertoezichtstelling. Ook heeft de rechtbank in haar motivering het family-life met en de hechting van [kind] met betrokkenen voldoende gewogen. De rechtbank is niet buiten het toepassingsgebied van artikel 1:336a BW getreden en heeft het artikel naar het oordeel van het hof niet ten onrechte toegepast. Daarnaast is evenmin gesteld of gebleken dat sprake is van een vormverzuim.
5.6
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor een doorbreking van het appelverbod. Een en ander leidt tot de conclusie dat de grootmoeder en de GI, welke laatstgenoemde niet expliciet een beroep heeft gedaan op doorbreking van het appelverbod, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoeken in hoger beroep.
Het hof zal beslissen als na te melden.
6.De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.249.903:
verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk;
in de zaak met zaaknummer 200.251.744:
verklaart de GI niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, J.B. de Groot en A.E.H. Bovy, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.