Belanghebbende verkreeg via juridische splitsing de eigendom van 170 zendmasten die deel uitmaken van het telecommunicatienetwerk van een andere vennootschap. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, welke na bezwaar gedeeltelijk werd verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of de verkrijging van de zendmasten viel onder de netwerkvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR, die vrijstelling biedt voor verkrijging van netten bestaande uit kabels of leidingen voor transport van informatie. Het hof oordeelde dat de zendmasten op zichzelf geen 'net' vormen zoals bedoeld in de wet en dat de netwerkvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van onderdelen van een netwerk, ook niet als deze als 'bijbehorende faciliteiten' in de Telecommunicatiewet worden aangemerkt.
Het hof volgde de Inspecteur en bevestigde de naheffingsaanslag en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.