Belanghebbende ontving een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte over het tijdvak april tot en met december 2017. De aanslag werd vernietigd omdat belanghebbende geen gebruiker was van het betreffende bedrijfsadres. Hoewel het bezwaar gegrond werd verklaard, weigerde de heffingsambtenaar proceskosten te vergoeden, stellende dat geen sprake was van aan hem te wijten onrechtmatigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof onderzocht of de heffingsambtenaar de vereiste zorgvuldigheid had betracht bij het opleggen van de aanslag. Uit de zitting bleek dat de aanslag willekeurig was opgelegd zonder duidelijke grondslag en dat de heffingsambtenaar niet kon aangeven op welke wettelijke basis de aanslag was opgelegd.
Het hof concludeerde dat sprake was van aan het bestuursorgaan te wijten onzorgvuldigheid, waardoor de aanslag onrechtmatig was opgelegd. Daarom werd de weigering tot proceskostenvergoeding onterecht geacht. Het hof kende een vergoeding toe van €254 voor de bezwaarfase en €768 voor beroep en hoger beroep, in totaal €1.022, en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht.