Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezamenlijk ouderlijk gezag en de omgangs- en zorgregeling van hun twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2011. De moeder oefent tot op heden het gezag alleen uit, terwijl de vader de kinderen in februari 2019 heeft erkend en sindsdien een belangrijke rol in hun zorg vervult. De rechtbank had het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld.
In hoger beroep heeft de vader verzocht om gezamenlijk gezag toe te kennen en een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend en de helft van de vakanties bij hem verblijven. De moeder voerde verweer en wilde het beroep niet-ontvankelijk verklaren of afwijzen. Het hof constateerde dat de situatie is gewijzigd, onder meer doordat de kinderen sinds oktober 2019 bij de vader wonen vanwege vermoedens van mishandeling bij de moeder.
Het hof oordeelde dat de vader inmiddels gezagsbevoegd is en dat gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is, ondanks de gebrekkige communicatie tussen de ouders. Het ontbreken van vertrouwen tussen ouders is onvoldoende reden om gezamenlijk gezag te weigeren. Ook stelde het hof een voorwaardelijke zorgregeling vast die voorziet in verblijf bij de vader om het weekend en tijdens de helft van de vakanties, met vervoer tussen ouders. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader toe en belast hem gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag en stelt een zorgregeling vast waarbij de kinderen om het weekend en de helft van de vakanties bij de vader verblijven.