Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland die het gezag over haar minderjarige zoon beëindigde en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemde. De minderjarige verblijft sinds 2016 bij pleegouders en ontwikkelt zich daar goed. De moeder heeft een belast verleden met psychiatrische en verslavingsproblemen, en hoewel zij zich inspant om haar situatie te verbeteren, is dit nog pril en niet stabiel.
De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder beëindigd moest worden omdat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd als hij bij haar terugkeert. Het hof onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het belang van het kind voorop staat, met name de noodzaak van stabiliteit, continuïteit en ongestoorde hechting in de huidige pleeggezinsituatie.
De moeder voerde aan dat er geen bedreiging is omdat de minderjarige bij de pleegouders goed gedijt, maar het hof wijst dit af: het gaat om de situatie indien het kind bij de moeder zou opgroeien. Het gezag is beëindigd op grond van artikel 1:266 lid 1 sub a BW Pro, niet wegens misbruik van gezag. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en benadrukt het belang van voortgezet contact tussen moeder en kind, mits dit het perspectief bij de pleegouders niet schaadt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige vanwege ernstige bedreiging van diens ontwikkeling bij terugplaatsing.