Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak betreft het een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die de machtiging tot het doen van een schenking ten laste van het vermogen van een onder bewind gestelde persoon heeft geweigerd. De bewindvoerder had verzocht om machtiging voor een schenking aan haarzelf en haar zus, doch het hof oordeelde dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke machtiging.
De kantonrechter had eerder in 2014 en 2015 stempelbeschikkingen gegeven voor schenkingen, maar het hof stelde dat deze niet impliceren dat toekomstige machtigingen automatisch worden verleend. Er was onvoldoende bewijs van een schenkingstraditie voorafgaand aan het bewind, mede omdat slechts bankafschriften uit 2008 waren overgelegd en contante schenkingen onvoldoende waren onderbouwd.
Het hof nam ook mee dat de financiële belangen van de zus en het vermogen van de rechthebbende geen reden vormen om af te wijken van de hoofdregel zoals vastgelegd in de aanbevelingen voor meerderjarigenbewind. De grieven van de bewindvoerder faalden en de beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering van de kantonrechter om machtiging te verlenen voor de schenking in 2017.