Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 maart 2018 en
- het emailbericht van de raad voor de kinderbescherming van 28 juni 2018.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder had het gezag over haar kind, dat sinds 2015 onder toezicht stond en in een pleeggezin verbleef. De gecertificeerde instelling (GI) gaf een schriftelijke aanwijzing met een omgangsregeling die begeleid bezoek voorschreef. De moeder verzocht om vervallenverklaring van deze aanwijzing, maar de kinderrechter wees dit af.
De rechtbank beëindigde vervolgens het gezag van de moeder en benoemde de GI tot voogd. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en stelde de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing opnieuw aan de orde. Het hof oordeelde dat de moeder ondanks het beëindigen van het gezag belang had bij de beoordeling van haar verzoek, mede vanwege het recht op eerbiediging van het gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.
Het hof bevestigde de schriftelijke aanwijzing, stellende dat het perspectief van het kind ligt bij het pleeggezin en dat de omgangsregeling in het belang van het kind is vastgesteld. De omgang verloopt moeizaam en de moeder heeft moeite aansluiting te vinden, wat onrust veroorzaakt bij het kind. Het hof benadrukte dat de GI passende hulp moet bieden indien nodig. De grief van de moeder faalde en de beschikking van de kinderrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing blijft van kracht en de beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.