Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
31 juli 2018in het openbaar uitgesproken.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, eigenaar van een terrein met bedrijfsruimte en diverse opslagtanks, stelde dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Kern van het geschil was of de opslagtanks roerende zaken zijn of onroerende werktuigen volgens de Wet WOZ, en of zeven tanks op de peildatum aanwezig waren.
Het Hof oordeelde dat de bewijslast dat de zeven tanks op de peildatum aanwezig waren bij de heffingsambtenaar lag, die dit niet voldoende kon aantonen. De tanks zijn naar hun aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, ondanks dat ze technisch verplaatsbaar zijn. Alleen het roerwerk in de tanks valt onder de werktuigenvrijstelling.
De taxaties van beide partijen waren onvoldoende onderbouwd. De taxatie van de heffingsambtenaar bevatte de waarde van de zeven tanks ten onrechte en gebruikte een verouderde prijspeildatum. De taxatie van belanghebbende hield onvoldoende rekening met alle kostencomponenten en de invloed van nikkelprijs was niet aannemelijk gemaakt.
Het Hof stelde daarom de waarde van de onroerende zaak inclusief tanks, maar exclusief de zeven tanks, in goede justitie vast op €10.000.000. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: WOZ-waarde van de onroerende zaak vastgesteld op €10.000.000, zeven tanks niet tot de onroerende zaak gerekend.