De man en de vrouw zijn gescheiden en hebben twee zonen, waaronder de meerderjarige [De zoon]. De man was verplicht om kinderalimentatie te betalen, welke meerdere malen is aangepast. De zoon volgde een opleiding waarvoor hij een bijdrage in zijn levensonderhoud en studiekosten vorderde.
In eerste aanleg werd bepaald dat de man €518 per maand aan de zoon moest betalen. De man ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de zoon niet behoeftig is, gezien zijn mogelijkheden om via arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien en de mogelijkheid tot een Wajonguitkering. Ook voerde hij aan dat de studieresultaten onvoldoende perspectief bieden en dat de zoon niet heeft aangetoond dat hij niet zelf kan voorzien.
De zoon betoogde dat zijn aandoeningen hem verhinderen te werken naast zijn studie en dat hij afhankelijk is van de bijdrage. Het hof oordeelde dat de zoon onvoldoende heeft aangetoond dat hij behoeftig is, mede gelet op zijn studieresultaten en de mogelijkheid tot een Wajonguitkering. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de zoon af. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke relatie.