Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
de man,
de vrouw,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2010 gescheiden. De verdeling van de huwelijksgemeenschap was onderwerp van meerdere procedures. De rechtbank had in 2016 de wijze van verdeling vastgesteld, waarbij de man onder meer de woning, aandelen en schulden toegedeeld kreeg en een bedrag van €101.800,- aan de vrouw moest betalen wegens overbedeling.
De man ging in hoger beroep met vier grieven, waaronder correcties op de waarde van aandelen vanwege dubieuze debiteuren en belastinglatenties, en een verzoek om een betalingsregeling. De vrouw kwam met twee incidentele grieven over vrijval van voorzieningen en advocaatkosten.
Het hof oordeelde dat geen aanvullende voorziening dubieuze debiteuren moest worden meegenomen, wel moest de vrijgevallen voorziening van €256.000,- worden toegevoegd aan het eigen vermogen van de aandelen, verminderd met advocaatkosten. De waarde van de aandelen werd daardoor gesteld op €391.896,-. Belastinglatenties werden niet meegenomen. Het verzoek tot betalingsregeling werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover het de overbedeling betrof en stelde het bedrag vast op €223.748,- met wettelijke rente vanaf 7 juni 2016. De rest van de beschikking werd bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof stelt de overbedeling vast op €223.748,- met wettelijke rente en bekrachtigt verder de beschikking van de rechtbank.