Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende is onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, waarbij een broer is benoemd tot bewindvoerder. Zij verzocht kort na de instelling van het bewind om opheffing, stellende dat zij inmiddels weer inzicht heeft in haar financiën en ondersteuning krijgt van haar zoon bij internetbankieren.
De bewindvoerder betoogde dat de situatie niet wezenlijk is veranderd en dat de rechthebbende nog steeds ontvankelijk is voor automatische incasso's en onnodige abonnementen, waardoor zij onvoldoende zelfredzaam is. De zoon van de rechthebbende steunde het verzoek tot opheffing.
Het hof oordeelt dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzaak voor het bewind is komen te vervallen. Het volgen van een computercursus en het ontvangen van papieren bankafschriften zijn onvoldoende om te concluderen dat zij haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig kan behartigen. Ook het subsidiaire verzoek tot een medisch onderzoek en een proefperiode worden afgewezen. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen en de beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.