AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak oplichting en omkoping, veroordeling valsheid in geschrift en deelname criminele organisatie SNSPF
Deze strafzaak betreft een onderzoek naar omkoping en valsheid in geschrift binnen SNS Property Finance (SNSPF). Verdachte, werkzaam via zijn vennootschap, werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten waaronder oplichting, verduistering, omkoping, witwassen, valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie.
Het hof sprak verdachte vrij van oplichting, verduistering en actieve en passieve niet-ambtelijke omkoping wegens onvoldoende bewijs. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte valsheid in geschrift pleegde door het opmaken en gebruiken van valse facturen die de werkelijke aard van betalingen verhulden. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven binnen SNSPF.
Voor het witwassen werd verdachte ontslagen van rechtsvervolging omdat het hof oordeelde dat het enkele verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen gelden niet volstond voor strafbaarheid. De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, mede gelet op de rol van verdachte, de negatieve publiciteit en zijn persoonlijke omstandigheden.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht, waarbij het hof de strafvordering van de advocaat-generaal deels volgde en deels verwierp. De zaak illustreert de complexe bewijsvoering bij financiële strafzaken en de zorgvuldige afweging van strafbaarheid en strafmaat.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens valsheid in geschrift en deelname aan criminele organisatie.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003066-16
Uitspraak d.d.: 6 juni 2018
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2016 met parketnummer 16-994028-13 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,
wonende te [woonplaats] .
1.Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
2.Onderzoek van de zaak
2.1
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 november 2017 (regiezitting), 4 april 2018, 18 april 2018 (inhoudelijke behandelingen) en 23 mei 2018 (sluiting onderzoek) en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 vanPro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,
mr. M.G. Pekkeriet en mr. A.C. Huisman, naar voren is gebracht.
2.2.
Samenvatting van het arrest
De zaak tegen verdachte vloeit voort uit een onderzoek naar omkoping bij SNS Property Finance (verder SNSPF). Daarbij is de verdenking gerezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] , die
externen bij SNSPF aan heeft aangebracht, zich daarvoor door die externen heeft laten betalen. Deze externen betaalden per door hen aan SNSPF gefactureerd uur een vergoeding aan [medeverdachte 1] . Dit wordt in het dossier aangeduid als niveau 2 ter onderscheid van niveau 1 waarin een andere medeverdachte centraal staat. De personen die aan [medeverdachte 1] betaalden, waaronder verdachte, worden in het dossier ook wel de “Groningers” worden genoemd.
In de tenlastelegging zijn op niveau 2 strafbare feiten ten laste gelegd, kort gezegd oplichting, omkoping (actief en/of passief), valsheid in geschrifte, witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie.
De advocaat-generaal acht alle feiten wettig en overtuigend te bewijzen en vordert dat verdachte voor alle zeven strafbare feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.
De verdediging heeft uitvoerige verweren gevoerd die er toe moeten leiden dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken.
Het hof komt samengevat tot de volgende oordelen:
- het hof spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair ten laste gelegde oplichting, de onder 1 subsidiair ten laste gelegde verduistering en de onder feit 2 ten laste gelegde actieve niet ambtelijke omkoping;
- het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging voor het onder feit 6 ten laste gelegde witwassen.
- het hof acht bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
- Voor die feiten legt het hof verdachte een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie (3) maanden op.
In het vervolg van het vonnis zal het hof uitleggen hoe het tot zijn conclusies komt. Waar dat nodig is, worden de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging uitgebreider besproken. Het hof zal daarbij eerst enkele, meer algemene onderwerpen bespreken. Vervolgens wordt besproken in hoeverre de verschillende feiten zijn bewezen. Tot slot legt het hof uit hoe het komt tot de strafoplegging in deze zaak.
3.Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere straf komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.
4.De tenlastelegging
De tenlastelegging zoals deze luidt na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is als bijlage 1 aan dit arrest gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte -al dan niet samen met anderen-
- een ander werkzaam zijnde bij SNS heeft omgekocht (feit 2),
- valse facturen voorhanden heeft gehad (feit 3),
- zich terwijl hij werkzaam was bij SNS heeft laten omkopen (feit 4)
- valse facturen heeft opgemaakt (feit 5)
- zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 6)
- heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5.Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
5.1.
Oplichting (feit 1)
Artikel 326 lid 1 vanPro het Wetboek van Strafrecht bevat de strafbaarstelling van oplichting, en luidt:
Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De Hoge Raad heeft in twee arresten van 20 december 2016 (zie ECLI:NL:HR:2016:2889) het beoordelingskader bij oplichting samengevat. Daarin wordt uiteengezet dat de wetgever niet heeft beoogd elke vorm van bedrog strafbaar te stellen. Waar het oplichting betreft, is van belang dat de wetgever naast oplichting ook nog enkele andere vormen van bedrog heeft strafbaar gesteld. Voor de beoordeling van deze zaak is van belang dat ook niet ambtelijke omkoping door de wetgever strafbaar is gesteld. Dat feit is ook aan verdachte ten laste gelegd.
Uit de aparte strafbaarstelling van omkoping naast oplichting kan worden afgeleid dat niet in alle gevallen van omkoping ook sprake is van oplichting. Onder omstandigheden kan echter sprake zijn van samenloop.
Tegen deze achtergrond worden de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen beoordeeld.
Het eerste verwijt betreft het zich in strijd met de waarheid voordoen als iemand die (enkel) de belangen van SNS zal behartigen. Dit verwijt komt er in feite op neer dat verdachte zich ten onrechte heeft voorgedaan als lasthebber te goeder trouw. Dat kan als oplichtingmiddel worden aangemerkt als dat berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bijvoorbeeld het gebruik maken van een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk vast patroon. Daarvan is geen sprake. Het eerste verwijt kan niet als oplichtingsmiddel worden aangemerkt.
Hetzelfde geldt voor het tweede, het derde en het vijfde verwijt, het verhullen en verzwijgen van de vergoeding die werd betaald aan [medeverdachte 2] voor detachering of bemiddeling. Weliswaar werd de aard van de vergoedingen verhuld door onjuiste omschrijvingen op de facturen, maar deze facturen werden niet gebruikt jegens SNS en hebben ook geen rol gespeeld bij het aangaan en nakomen van de overeenkomsten met opdrachtnemers. Het enkele verzwijgen is onvoldoende om aan te merken als oplichtingsmiddel.
Het vierde verwijt betreft het presenteren van een benchmarkonderzoek naar de hoogte van gebruikelijke in de markt te betalen uurtarieven. Het zesde verwijt is het voorwenden dat de betaalde uurvergoeding noodzakelijk was voor het werven/behouden van opdrachtnemers.
Op basis van het dossier kan vastgesteld worden:
dat aan de geworven externen hoge uurtarieven werden betaald;
dat niet is komen vast te staan dat de door diverse opdrachtnemers aan SNSPF in rekening gebrachte tarieven hoger waren dan in de markt gebruikelijk. Daarnaast zijn ook door niet bij de “retourbetalingen” betrokken bij SNSPF werkzame externen vergelijkbare tarieven in rekening gebracht;
dat daarnaast ook tariefsverhogingen en contractverlengingen zijn overeengekomen met het oog op de door SNSPF gewenste binding van essentieel personeel.
Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat SNSPF door het voorstellen van deze tarieven is bewogen tot het aangaan van overeenkomsten met de opdrachtnemers en het uitvoering geven aan die overeenkomsten door de betalingen aan de opdrachtnemers. Door het openbaar ministerie is nog aangevoerd dat SNSPF geen verplichtingen (onder die voorwaarden/met die tarieven) zou zijn aangegaan indien zij op de hoogte zou zijn geweest van de zogenoemde kickbacks. Voor zover dit al juist zou zijn, komt het verwijt er in dat geval in de kern op neer dat die kickbacks zijn verzwegen. Zoals eerder opgemerkt is dat onvoldoende voor oplichting. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken en presenteren bij SNSPF van het benchmarkonderzoek.
Ook in samenhang met elkaar zijn de gemaakte verwijten onvoldoende om aangemerkt te worden als oplichtingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 326 SrPro. Evenmin kan worden bewezen dat door de ten laste gelegde middelen SNSPF is bewogen tot het afgeven van gelden of het aangaan van overeenkomsten. Verdachte zal worden vrijgesproken van het plegen van oplichting.
5.2
Verduistering (feit 1 subsidiair)
Voor de bewezenverklaring van verduistering is vereist dat bewezen kan worden dat verdachte (samen met de medeverdachten) zich de genoemde geldbedragen wederechtelijk heeft toegeëigend. De uitbetaling van de uurtarieven is conform de onderliggende overeenkomsten van opdracht gebeurd. Er is dan ook geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening van (een deel van) de overeengekomen vergoeding voor geleverde werkzaamheden nu niet kan worden bewezen dat betrokkenen hier geen recht op hadden.
5.3.
Actieve niet ambtelijke omkoping (feit 2)
Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij [medeverdachte 1] , optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV heeft omgekocht.
Door de verdediging wordt betoogd dat geen sprake kan zijn van niet ambtelijke omkoping aangezien [medeverdachte 1] werkzaam was op een overeenkomst van opdracht en niet in dienstbetrekking noch als lasthebber (als bedoeld in artikel 7:418 BWPro).
Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] weliswaar werkzaam was voor SNSPF en de in de tenlastelegging genoemde bedragen heeft ontvangen, maar dat hij dat niet deed in de uitvoering van zijn last. Niet gebleken is dat het werven van personeel tot de werkzaamheden van [medeverdachte 1] behoorde of dat hij pretendeerde dat het werven tot zijn werkzaamheden behoorde. De gesprekken met de externen werden namens SNSPF niet gevoerd door [medeverdachte 1] , maar door [medeverdachte 2] . De enkele externen die persoonlijk contact met [medeverdachte 1] hebben gehad, hadden dat contact niet ten kantore van SNSPF. Niet is gebleken dat [medeverdachte 1] invloed had op welke van de door hem aangedragen kandidaten werden aangenomen. [medeverdachte 1] werkzaamheden in dit verband bestonden voornamelijk in het doorsturen van cv’s van externen aan [medeverdachte 2] en het doorgeleiden naar SNSPF van de facturen van die externen aan SNSPF. Dat acht het hof onvoldoende voor de gevolgtrekking dat [medeverdachte 1] een en ander in de uitvoering van zijn last heeft gedaan. Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.
5.4
Passieve niet ambtelijke omkoping (feit 4)
Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij zich als lasthebber bij SNSPF door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft laten omkopen met het geld dat [medeverdachte 1] van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ontving.
Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar werkzaam was voor SNSPF en de in de tenlastelegging genoemde bedragen heeft ontvangen, maar dat hij dat niet deed in de uitvoering van zijn last. Niet gebleken is dat het werven van personeel tot de werkzaamheden van verdachte behoorde of dat hij pretendeerde dat het werven tot zijn werkzaamheden behoorde. De gesprekken met door verdachte “aangebrachte” externen werden namens SNSPF niet gevoerd door [medeverdachte 1] , maar door [medeverdachte 2] . Het enige wat verdachte heeft gedaan is het in contact brengen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] met [medeverdachte 3] . Van enige relatie met verdachtes werkzaamheden bij SNSPF is niet gebleken. Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.
6.Overweging met betrekking tot het bewijs
6.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak van alle feiten bepleit.
6.3
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde onder feit 3, 5, 6 en 7 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
6.3.1
Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
[medeverdachte 1]is sinds 2005 enig aandeelhouder [2] en bestuurder [3] van [bedrijf 1] BV, welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [bedrijf 2] BV [4] , beiden gevestigd te Haren (hierna respectievelijk: [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ).
[bedrijf 3] NV (hierna: [bedrijf 3] ) is op verzoek van [medeverdachte 1] opgericht eind 2010/begin 2011. [bedrijf 3] is gevestigd te Curaçao [5] en [medeverdachte 1] is gemachtigd tot de bankrekeningen van [bedrijf 3] . [6]
[medeverdachte 1] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF en op interim basis belast met het aansturen van nationale en internationale equity participaties van SNSPF alsmede het behandelen van andere door de directie van SNSPF te bepalen dossiers, hetgeen met zich mee kan brengen dat (tijdelijk) een functie als bestuurder of commissaris dient te worden vervuld. [7] [medeverdachte 1] noemt zichzelf interim-manager. [8]
Introductie en betalingen externenNadat hij [medeverdachte 1] had aangenomen is [medeverdachte 7] aangenomen bij SNS via [medeverdachte 1] , aldus [medeverdachte 2] . [9] Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [betrokkene 1] . [medeverdachte 1] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd. [10] [medeverdachte 7] werd als eerste, medio 2010, aangenomen. [11] [medeverdachte 3] heeft verklaard dat een aantal van deze mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. [12]
In het bij [medeverdachte 1] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering” [13] zijn werkbladen opgenomen met de namen: [naam] , [verdachte] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld:
- hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt;
- hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd;
- hoeveel [medeverdachte 1] bij deze medewerker declareerde en
- hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . [14]
Volgens [medeverdachte 1] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij. [15] De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt. [16] Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee. [17] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het zich niet kan voorstellen dat de mensen van deze groep -zoals genoemd op het overzicht- niet wisten dat de fee werd verdeeld over meerdere personen. [18] Hij heeft [medeverdachte 2] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [medeverdachte 2] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [medeverdachte 1] ging. [19] [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [medeverdachte 7] , was aangenomen. [20]
[medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] maakten gebruik van de vennootschappen [bedrijf 4] BV [21] respectievelijk [bedrijf 5] BV [22] . [medeverdachte 3] maakte gebruik van het bedrijf [bedrijf 6] .o. [23] [medeverdachte 2] is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [bedrijf 7] BV welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [bedrijf 8] BV. [24]
[verdachte]verklaart dat hij enig aandeelhouder en enig bestuurder is van de vennootschap [bedrijf 9] BV (hierna: [bedrijf 9] ). [25] [bedrijf 9] is gevestigd in Groningen. [26]
De werkzaamheden van [verdachte] voor SNSPF vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht die door SNSPF met de vennootschap van [verdachte] , [27] in het contract aangeduid als [bedrijf 9] BV i.o., is gesloten op 11 september 2010. Op 16 oktober 2011 is een aanvullende overeenkomst gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 9] voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. De werkzaamheden bestaan volgens de overeenkomst uit het management van de nationale en internationale equity posities van SNSPF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden. [28] Beide overeenkomsten zijn medeondertekend door [medeverdachte 2] . [29]
[verdachte] verklaart dat hij in augustus 2010 via [medeverdachte 3] in contact kwam met [medeverdachte 1] . [30] [medeverdachte 3] vroeg hem of hij wilde werken voor een financiële instelling. [verdachte] heeft daarop zijn cv naar [medeverdachte 1] gestuurd. [31] Vervolgens heeft [medeverdachte 3] meer dan een goed woordje voor [verdachte] gedaan bij [medeverdachte 1] . [32] Daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met [medeverdachte 2] . Met [medeverdachte 2] heeft [verdachte] ook onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. Het uurtarief werd € 225,-. [33] In een gesprek met [medeverdachte 3] zijn [verdachte] en [medeverdachte 6] een fee overeengekomen van € 75,- per gewerkt uur. Op verzoek van [medeverdachte 3] is de betaling van de fee door een aan [medeverdachte 1] gelieerde vennootschap gefactureerd en is aan die vennootschap ook betaald. Dit was een expliciet verzoek van [medeverdachte 3] . [verdachte] stuurde elke maand zijn factuur op aan SNSPF. Vervolgens kreeg hij dan een factuur van [medeverdachte 1] , met daarop de omschrijving “declaratie betreffende adviesdiensten t.b.v. [bedrijf 9] BV” voor de betreffende maand. Het bedrag op de factuur kon [verdachte] herleiden tot de afspraak die met [medeverdachte 3] was gemaakt over de betaling van een fee. [verdachte] heeft deze facturen in zijn administratie bewaard. [34]
Door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2013 voor een bedrag van in totaal € 276.787,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 9] . Deze facturen zijn in de periode van 11 november 2010 tot en met 26 januari 2013 door [bedrijf 9] voldaan. [35]
Uit het excelbestand dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [verdachte] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] werd betaald, als volgt werd verdeeld:
[medeverdachte 1] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [medeverdachte 2] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [verdachte] aan hem deed. [37] Verder verklaart [medeverdachte 1] dat hij binnen het project [naam project] de functioneel leidinggevende was van [verdachte] . De omschrijving op de facturen, die aan [verdachte] gericht waren, had volgens [medeverdachte 1] anders moeten heten, namelijk bemiddelingsfee. [38]
[verdachte] verklaart dat via hem [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn komen werken bij SNSPF. In een gesprek met [medeverdachte 3] -waar ook [medeverdachte 6] bij aanwezig was- heeft [verdachte] aangegeven dat hij het wel redelijk zou vinden dat zij voor het aanbrengen van deze medewerkers een correctie op hun te betalen fee zouden ontvangen. Ongeveer een week erna kwam [medeverdachte 3] hierop terug en stelde voor dat zij € 7,50 per persoon per medewerker zouden krijgen. [verdachte] heeft hiervoor correctiefacturen gestuurd aan [medeverdachte 1] met daarop dezelfde omschrijving als de facturen die hij van [medeverdachte 1] ontving: adviesdiensten. [verdachte] verklaart dat de omschrijving op de factuur niet correct was, maar dat hij bewust aansluiting heeft gezocht bij de facturen die door [medeverdachte 1] aan hem werden gestuurd. [verdachte] betaalde steeds het netto verschuldigde bedrag aan de vennootschap van [medeverdachte 1] . [39] Facturen voor [bedrijf 9] werden door [verdachte] opgemaakt. [40] De facturen die door [bedrijf 9] werden verzonden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn door [verdachte] verwerkt in de boekhouding van [bedrijf 9] . [41] Er is door [verdachte] geen melding gedaan bij zijn opdrachtgever SNS van het feit dat hij deze beloning ontving. [42]
Door [bedrijf 9] is in de periode van 20 november 2010 tot en met 31 december 2012 een bedrag van in totaal € 45.900,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [43] Daarvan is alleen de eerste factuur van € 798,75 (exclusief btw) door [bedrijf 1] op 29 november 2010 betaald. [44] De overige factuurbedragen zijn in de periode van 30 december 2010 tot en met 26 januari 2013 [45] verrekend met de bedragen die [medeverdachte 1] aan [verdachte] in rekening bracht. [46] Van de betalingen op 1 november 2011 (over september 2011), 17 maart 2012 (over februari 2012) en 17 oktober 2012 (over september 2012) zijn geen onderliggende facturen aangetroffen. De factuurbedragen betroffen (kennelijk) respectievelijk € 1.983,87, € 1.586,25 en € 1.335,00 (alle exclusief btw). [47]
[medeverdachte 3][bedrijf 6] .o. (hierna: [bedrijf 6] ) is het bedrijf van de dochter van [medeverdachte 3] , waarvan hij feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is. [48] [bedrijf 6] is gevestigd te Praag, Tsjechië. [49]
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat een aantal mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. [50] Toen [medeverdachte 1] hem vroeg of hij nog mensen kende, heeft [medeverdachte 3] [verdachte] en [medeverdachte 6] aanbevolen. [medeverdachte 1] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei dat [medeverdachte 3] er ook aan kon verdienen. Via [verdachte] heeft [medeverdachte 3] cv’s doorgestuurd van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Ook [betrokkene 2] heeft hij aanbevolen. [medeverdachte 3] stuurde de cv’s door naar [medeverdachte 1] voor een introductie bij SNSPF. [51] [medeverdachte 3] kreeg een vergoeding voor het aanbrengen van deze externen, een bedrag per door de jongens gewerkt uur. Bij [medeverdachte 6] en [verdachte] was dat € 25,- per uur, bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] was dat bedrag wat lager. [52] De betalingen liepen via [medeverdachte 1] . [53] De verdeling van de betaling van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] met [verdachte] heeft hij besproken met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft niet met [medeverdachte 1] besproken of SNS van de afspraken wist. [54]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er personen door bemiddeling van [medeverdachte 3] bij SNSPF zijn gekomen. Met deze personen is door [medeverdachte 3] een bemiddelingsfee afgesproken, die verdeeld werd onder hem, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [55] [medeverdachte 1] heeft met [medeverdachte 3] afspraken gemaakt over het aanbrengen van mensen. [medeverdachte 3] zou een deel van het tarief krijgen dat de aangenomen mensen zouden betalen. [56] [medeverdachte 1] gaf aan [medeverdachte 3] door wat gefactureerd kon worden. [medeverdachte 3] stuurde dan een factuur vanuit [bedrijf 6] in Tsjechië naar [bedrijf 2] of [bedrijf 1] . [57] [medeverdachte 3] kreeg een deel van de bemiddelingsfee van [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , en [betrokkene 2] . [58] [medeverdachte 1] heeft hierover, buiten [medeverdachte 2] , niemand binnen SNSPF ingelicht. [59]
Voor het ontvangen van de betalingen maakte [medeverdachte 3] maandelijks een factuur op naam van [bedrijf 6] . [medeverdachte 1] gaf aan hem door hoeveel hij kon factureren. De factuur verzond [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft alle facturen zelf opgemaakt vanuit huis (de rechtbank begrijpt: te Haren). De omschrijving op de facturen heeft hij zelf bedacht. Fysiek heeft hij geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] . Hij heeft het format van de facturen aangepast zodat deze opgenomen konden worden in de administratie van [bedrijf 6] . [60] De gefactureerde bedragen heeft hij ontvangen, deels op de rekening van [bedrijf 6] en deels op zijn eigen rekening. [61]
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben."
6.3.2
Valsheid in geschrifte (feit 3 en 5)
De rechtbank heeft met betrekking tot de valsheid in geschrift in het bijzonder het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit:
"Valsheid facturen
De verdediging heeft betoogd dat de facturen niet vals zijn omdat -kort gezegd- beide partijen wisten wat de onderliggende prestatie was, de omschrijving voldoende juist is en de gefactureerde bedragen niet te hoog zijn.
De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, (door het hof als bijlage 3 bij dit arrest gevoegd ) valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen volgens de verdachten betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan immers niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn (…) bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.
Ook ten tijde van het opmaken van de facturen door [verdachte] en het verkrijgen van de door anderen opgemaakte facturen had [verdachte] wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen in werkelijkheid betrekking hadden en hij had daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard.
Daarbij komt dat door de manier van factureren de suggestie wordt gewekt van een niet bestaande rechtsverhouding. Immers, gefactureerd is tussen de vennootschappen van [verdachte] en [medeverdachte 1] terwijl de betalingsafspraak is gemaakt tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] . Ook wat betreft deze valsheid had hij wetenschap en ten minste voorwaardelijk opzet.
Bewijsbestemming als waren de facturen echt en onvervalstDe verdediging heeft ook betoogd dat geen sprake is geweest van een oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn wel gebruikt, maar de ontvanger is hierdoor niet misleid aangezien het zowel voor de opsteller als de geadresseerde duidelijk was waar de facturen op zagen.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het oogmerk van de verdachte moet zijn gericht op het gebruik van het valse of vervalste geschrift als echt en onvervalst. Dit impliceert een gerichtheid op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik van het geschrift hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, nu facturen naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben. Bovendien zijn de facturen in dit geval ook nog opgenomen in de bedrijfsadministratie(s) waarmee temeer vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden -anderen dan de geadresseerden- als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en/of accountants (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212). De rechtbank acht dan ook bewezen dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Ook hebben de betalers deze door anderen opgemaakte valse facturen voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften een zodanige bewijsbestemming hadden "
Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen.
Het hof vindt daartoe aansluiting in het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012 waarin is overwogen:
"Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [A] doordat het door hem begane strafbare feit tevens aan die rechtspersoon kan worden toegerekend op de grond dat hij als "feitelijk bestuurder" van [A] moet worden aangemerkt. Aldus heeft het Hof miskend dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd."
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en het opmaken van valse facturen nu door de facturerende vennootschap geen adviesdiensten zijn verricht ten behoeve van de geadresseerde vennootschap.
6.3.3.
Gewoontewitwassen (feit 6)
Aan verdachte is onder 6 ten laste gelegd dat hij geldbedragen heeft witgewassen door, - kort weergegeven):
a. door de werkelijke aard en/of herkomst van die gelden te verbergen of te verhullen en
b. door die geldbedragen te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten of gebruik te maken van die geldbedragen.
De advocaat-generaal acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
De verdediging heeft betoogd dat noch van een gronddelict noch van verhullen sprake is geweest, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Oordeel hof
Partiële vrijspraak betaalde bedragen
Het hof is van oordeel dat de geldbedragen die door [verdachte] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] zijn betaald niet kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf. Immers, de geldbedragen die door [verdachte] zijn betaald, heeft hij verkregen door het verrichten van werkzaamheden voor SNSPF op grond van de onderliggende overeenkomsten van opdracht. Deze geldbedragen hebben dan ook een legale herkomst.
Het hof acht bewezen dat de overige geldbedragen uit misdrijf zijn verkregen en verdachte deze geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Het hof stelt vast dat aan [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode een geldbedrag van in totaal € 798,75 (exclusief btw) is betaald. Daarnaast is door [verdachte] een bedrag van in totaal € 45.101,41 (exclusief btw) verrekend met de betalingen die [verdachte] aan [medeverdachte 1] moest doen.
In de tenlastelegging is het verrekende bedrag van € 45.101,41 (exclusief btw) evenwel niet vermeld. Van de van [medeverdachte 1] ontvangen gelden van totaal € 45.900,16 (exclusief btw) is alleen het bedrag van € 978,75 (het hof leest: € 798,75 (exclusief btw)) opgenomen.
Het hof kan verdachte dan ook niet veroordelen voor het verwerven en voorhanden hebben van het totale bedrag van € 45.900,16 (exclusief btw) maar slechts voor een bedrag van € 798,75 (exclusief btw).
Ad a.
Het hof stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Het hof stelt vast dat verdachte het geldbedrag van € 798,75 heeft ontvangen. Verdachte heeft dit bedrag op grond van valsheid in geschrift verkregen. Het hof is daarbij van oordeel dat het opmaken en versturen van de valse facturen om de geldbedragen te verkrijgen het gronddelict is en die facturen zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen. Naar het oordeel van het hof zijn deze gedragingen het gronddelict zodat zij niet kunnen worden gezien als de vereiste “extra verhullende handeling” na het ontvangen van dit uit misdrijf verkregen geld.
Dit betekent dat het onder 6 bewezen verklaarde verwerven of voorhanden hebben niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve ter zake van de onderdelen van die bewezen verklaarde feiten te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Pleegperiode en gewoonte
Witwassen moet worden beschouwd als een voortdurend delict. Dit brengt mee dat de pleegperiode doorloopt zolang de verdachten ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds de verweten handelingen verrichten (ECLI:NL:HR:2014:956). Dat deze handelingen nog altijd voortduren of worden verricht kan echter aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Het specifieke moment waarop zij -bijvoorbeeld door gebruik- niet meer over de geldbedragen konden beschikken, is niet vast te stellen aan de hand van het dossier. Daarom wordt in het voordeel van verdachten aangesloten bij data waarvan gesteld kan worden dat zij in de periode daaraan voorafgaand in ieder geval hebben kunnen beschikken over de geldbedragen en in welke periode ook omzetting/overdraging/gebruik heeft plaatsgevonden.
Ad b.
Het hof acht in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig die maken dat het overdragen, omzetten of gebruik maken van die geldbedragen is te bewijzen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen met de rechtspersonen niet wettig en overtuigend bewezen.
Het hof zoekt daartoe aansluiting bij arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012 [62] waarin onder meer is overwogen:
“… dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd.”
6.3.4.
deelnemen aan een criminele organisatie. (feit 7)
De rechtbank heeft met betrekking tot het deelnemen aan een criminele organisatie in het bijzonder het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit:
"De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van (wetenschap van) een samenwerkingsverband tussen verdachten, geen opzet op deelneming aan een criminele organisatie en ook geen opzet op het oogmerk van die organisatie tot het plegen van strafbare feiten.
Criminele organisatie
De rechtbank overweegt allereerst dat met een criminele organisatie ex artikel 140 SrPro wordt bedoeld een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met als oogmerk het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de betrokkenen bekend zijn met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Verdachten moeten een aandeel hebben in het samenwerkingsverband, dan wel de gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor opzettelijke deelneming is voldoende dat verdachten in algemene zin weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook rechtspersonen kunnen deelnemen aan een criminele organisatie.
Deelneming niveau 2
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 2 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, opgericht en geleid door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het oogmerk van de organisatie was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [verdachte] heeft niet alleen wetenschap gehad van het oogmerk van de organisatie maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot verwezenlijking hiervan.
[verdachte] heeft een substantieel aandeel gehad in en ondersteuning gegeven aan gedragingen strekkende tot uitvoering van het oogmerk van de organisatie. (…)
Daarnaast heeft hij ook wetenschap gehad van de vergelijkbare deelneming door en het verrichte aandeel van anderen aan/bij de organisatie. [medeverdachte 6] en [verdachte] hadden wetenschap van elkaars afspraken met [medeverdachte 3] en de bijbehorende betaalstromen via [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] geïntroduceerd bij SNSPF en hij en [medeverdachte 6] hebben aan [medeverdachte 1] gefactureerd voor het ontvangen van hun deel van de door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] betaalde fee. Ook hadden zij wetenschap van de betrokkenheid en het verrichte aandeel van de door hen en door anderen gebruikte vennootschappen bij de organisatie. Niemand heeft de betaalstromen gemeld bij SNS(PF). Het samenwerkingsverband heeft hierdoor onafgebroken en gedurende een langere periode kunnen bestaan, terwijl het aantal medewerkers van SNSPF dat bij de betalingen betrokken raakte toenam.
De rechtbank concludeert dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit de in de bewezenverklaring nader te noemen verdachten en hun vennootschappen."
Het hof neemt deze conclusie over en maakt het deze tot de zijne.
7.Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, waarbij voor feit 6 geldt dat hierop een kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is.
De volledige bewezenverklaring is opgenomen in bijlage 2 van dit arrest.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan in bijlage 2 is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
9.Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
10.Oplegging van straf en/of maatregel
10.1
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de feiten 1 primair en 1 subsidiair en feit 2, en voor de feiten 3, 4, 5, 6 en 7 veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren.
10.2
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, tot en met 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
10.3
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In het bijzonder heeft de verdediging gewezen op de grote impact op het zakelijk functioneren van verdachte onder meer door opname in het EVR register en de oplegging van een (forse) taakstraf bepleit.
10.4
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft als SNSPF-medewerker aan [medeverdachte 1] gelden overgemaakt. Op zijn beurt heeft verdachte kickbacks ontvangen van de door hem aangebrachte personen bij [medeverdachte 1] . Deze onderling gemaakte afspraken werden door hen verzwegen tegenover SNSPF. Om te voorkomen dat de afspraken aan het licht zouden komen, zijn valse facturen opgemaakt, waarmee de werkelijke aard van de betalingen werd verhuld.
Verdachte heeft hierdoor mede een actieve rol gespeeld in de criminele organisatie die hij vormde met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , welk organisatie zich bezig hield met kickbackbetalingen en valsheid in geschrift.
10.5
Bij de straftoemeting zal het hof aansluiting zoeken bij de straffen die het hof in de zaken van medeverdachten zal opleggen.
Het hof houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat over deze zaak vele publicaties zijn verschenen, waarbij -onterecht- ook verbanden zijn gelegd tussen de nationalisatie van SNS en deze zaak. Mede doordat het strafproces geruime tijd heeft geduurd, hebben de verdachten veel nadeel ondervonden van deze negatieve publiciteit.
Daarnaast houdt het hof rekening met de EVR-procedure, waardoor verdachte gedurende meer jaren staat geregistreerd in het EVR. Hoewel het gelet op de bewezen verklaarde feiten alleszins logisch is dat deze procedure is gevolgd, heeft de EVR-registratie wel grote gevolgen gehad voor het vinden van een baan door verdachte tot nu toe en ook in de toekomst.
Voorts overweegt het hof dat rol van verdachte in het circuit van de kickbackbetalingen van een beperktere omvang was dan die van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het hof vindt hierin de reden om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Tot slot houdt het hof rekening met het uittreksel justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Het hof acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat het minder feiten bewezen verklaart dan door de advocaat-generaal gevorderd, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met daarnaast een taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uur, passend en geboden.
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 3, 5 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Verklaart het onder 6 bewezen verklaarde nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. R. de Groot en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen en mr. G.W. Jansink, griffier,
en op 6 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
BIJLAGE I: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat
1.
Primair
(niveau 2):
Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 september
2010 tot en met 22 januari 2013 te Leusden en/of Utrecht en/of Hilversum
en/of Haren (Groningen) en/of Amsterdam en/of Groningen, in elk geval in
Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te
bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse
hoedanigheid en / of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door
een samenweefsel van verdichtsels, SNS Property Finance BV (met ingang van 1
-verduistering in dienst betrekking bij SNS Property Finance BV en/of SNS
Reaal NV (artikel 321/322 Wetboek van Strafrecht)
-actieve en/of passieve niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van
Strafrecht)
-(gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)
-valsheid in geschrift (artikel 225 WetboekPro van Strafrecht);
Bijlage 3: bewijsmiddelenoverzicht facturen
Voetnoten
1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD dossier, nummer 51693, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (onderzoek Mount Nepal, inhoudende 28 ordners). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AH staat voor ambtshandeling, ZPV staat voor zaaksproces-verbaal, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.