AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep inzake niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging bij snelheidsovertreding
In deze zaak ging het om een beroep tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een snelheidsovertreding die was vastgesteld op kenteken. De kantonrechter had het beroep van de gemachtigde, [A], niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging. Het hof stelde echter vast dat de kantonrechter ten onrechte een schriftelijke machtiging kon verlangen omdat volgens artikel 9 vanPro de Wahv degene die administratief beroep heeft ingesteld ook beroep kan instellen tegen de beslissing van de officier van justitie.
Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het beroep zelf. Uit het dossier bleek dat de beschikking was gericht aan de kentekenhouder, [F] UA, en niet aan de vennootschap [E] B.V. die eigenaar was van het voertuig. De sanctiebeschikking was dus aan [F] UA opgelegd, die ook gerechtigd was beroep in te stellen. De gemachtigde [A] had geen geldige schriftelijke machtiging van [F] UA kunnen overleggen.
De officier van justitie had [A] hierop gewezen en hem de mogelijkheid gegeven het verzuim te herstellen, maar dit was niet gebeurd. Het hof oordeelde dat het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk was verklaard door de officier van justitie en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat niet was gebleken dat [A] beroepsmatige rechtsbijstand aan een derde had verleend.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de officier van justitie ongegrond wegens ontbreken van een geldige machtiging.
Uitspraak
WAHV 200.209.602
17 mei 2018
CJIB 195732952
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 19 januari 2017
betreffende
mr. [A] ,
kantoorhoudende te [B] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van kosten afgewezen.
Het procesverloop
Mr. [A] (hierna [A] ) heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende. Op 24 maart 2016 heeft [C] namens [D] beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking via het Digitaal Loket. Per brief van 29 februari 2016 heeft [A] namens [E] B.V. beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Dit beroep is door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van degene aan wie de beschikking is opgelegd. Tegen deze beslissing heeft [A] beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft het beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat een deugdelijke machtiging ontbreekt en dit verzuim niet is hersteld nadat daarvoor gelegenheid was gegeven.
2. [A] stelt dat er geen aanleiding was voor niet-ontvankelijkheidverklaring. De sanctie is aan [E] B.V. opgelegd. Daarom is die vennootschap de belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat terecht namens [E] B.V. beroep is ingesteld. Ter onderbouwing is een afschrift van de inleidende beschikking meegestuurd.
3. Het hof stelt vast dat [A] volgens de beslissing van de officier van justitie degene is geweest die administratief beroep heeft ingesteld. Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) - waarin is bepaald dat degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep kan instellen tegen de beslissing van de officier van justitie - kon de kantonrechter geen schriftelijke machtiging van [A] verlangen. De kantonrechter heeft het beroep van [A] daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven en het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. Uit de stukken blijkt dat het in deze zaak gaat om een snelheidsovertreding die is geconstateerd op kenteken. Het betreft het kenteken [0-YYY-00] . Het kenteken is op naam gesteld van [F] UA. In het dossier bevindt zich een uitdraai uit het kentekenregister waar dat uit blijkt. [E] B.V. is eigenaar van het voertuig met dit kenteken. Door middel van een RTL-registratie (Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen) is geregistreerd dat [E1] B.V. de sanctiebeschikkingen ontvangt. De initiële beschikking is toegezonden aan [E] B.V. Deze heeft [D] per mail op de hoogte gebracht van de sanctie, omdat hij feitelijk de beschikking heeft over het voertuig en dit zo is afgesproken met diens werkgever. [D] heeft de mail doorgestuurd aan [C] omdat die ten tijde van de gedraging de bestuurder was van het voertuig. [C] heeft vervolgens [A] gemachtigd om administratief beroep in te stellen.
5. In het dossier bevinden zich verschillende machtigingen. Zo is er een machtiging van [C] aan [A] . Daarnaast is er een machtiging van [D] aan [C] . Verder is er een brief van [A] aan [E] B.V. waarin hij aangeeft namens [D] beroep in te stellen tegen de beschikking. [A] verzoekt [E] B.V. om als kentekenhouder daar akkoord voor te geven. [A] heeft deze brief terug gekregen. Op de brief staat een paraaf en een stempel van [E] B.V.
6. Om vast te kunnen stellen of [A] gemachtigd is om beroep tegen de inleidende beschikking in te stellen, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
7. Het hof volgt niet de stelling van [A] dat terecht namens [E] B.V. beroep is ingesteld. Het hof stelt vast dat de beschikking is gericht aan [F] UA omdat deze als kentekenhouder geregistreerd stond ten tijde van de gedraging. De sanctie is aan haar opgelegd. Daarom is [F] UA gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen [F] UA een machtiging afgeven om namens haar beroep in te stellen. De door [A] overgelegde initiële beschikking waaruit zou blijken dat de sanctie is opgelegd aan [E] B.V. betreft niet de initiële beschikking maar een mail aan [D] waarin hij op de hoogte wordt gebracht van de sanctie en waarin gegevens van de initiële beschikking zijn opgenomen.
8. De officier van justitie heeft [A] er bij brief van 10 juni 2016 terecht op gewezen dat een schriftelijke machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht dat hij, [A] , beroep aan mag tekenen, ontbreekt. De officier van justitie heeft [A] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief. In die brief is [A] er ook op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet wordt hersteld. [A] heeft het verzuim niet hersteld, zodat de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat [A] mogelijk door de informatie die verstrekt is door [E] B.V. in de veronderstelling verkeerde dat de leasemaatschappij ook de kentekenhouder was en dat de sanctie aan [E] B.V. was opgelegd, dient voor zijn rekening te blijven.
9. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren.
10. Het hof is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. In dit verband overweegt het hof dat in onderhavige procedure niet gebleken is dat [A] aan een derde beroepsmatige rechtsbijstand heeft verleend. Derhalve wijst het hof het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.