Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die een onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende had bevolen wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en schuldenproblematiek.
De rechthebbende, geboren in 1944 en zonder familie, had het verzoek tot onderbewindstelling zelf ondertekend en was destijds bekend met de gevolgen daarvan. Hoewel zij in hoger beroep het verzoek tot vernietiging van de onderbewindstelling indiende, oordeelt het hof dat dit rechtsmiddel niet bedoeld is om een toegewezen verzoek ongedaan te maken omdat de partij van gedachten verandert.
Het hof constateert echter dat de omstandigheden zijn gewijzigd: de woning van de rechthebbende is verkocht, de schulden zijn afgelost en zij is niet langer onder behandeling van de betrokken hulpverleners. De bewindvoerder heeft geen redenen gegeven om het bewind voort te zetten. Gezien deze feiten acht het hof de noodzaak van het bewind komen te vervallen en heft het het bewind ambtshalve op.
De beschikking van de kantonrechter wordt in zoverre bekrachtigd, het bewind wordt met onmiddellijke ingang opgeheven en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling maar heft het bewind ambtshalve op wegens het wegvallen van de noodzaak.