In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beslissing van de kantonrechter Rotterdam die het beroep van betrokkene tegen een sanctiebeslissing ongegrond verklaarde. Betrokkene en diens gemachtigde waren niet verschenen bij de zitting over de zekerheidstelling, omdat in de oproepingsbrief stond dat alleen financiële omstandigheden besproken zouden worden en geen inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden.
Desondanks heeft de kantonrechter niet alleen de zekerheid op nihil gesteld, maar ook inhoudelijk het beroep behandeld en ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat dit niet had mogen gebeuren zonder dat betrokkene of diens gemachtigde de gelegenheid hadden gekregen hun zienswijze te geven, waarmee het hoor en wederhoor-beginsel is geschonden.
Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en zal de zaak zelf behandelen. Een terugwijzing acht het hof niet nodig omdat de situatie van artikel 20d lid 2 Wahv niet van toepassing is. De zaak wordt aangehouden totdat een nieuwe zitting is gepland waar betrokkene of diens gemachtigde kunnen verschijnen.