Uitspraak
advocaat te [C] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot kostenvergoeding af. De gemachtigde van de betrokkene stelde hoger beroep in. Het hof constateerde dat de griffier de gemachtigde niet had gewezen op het recht om stukken in te zien en afschriften te verkrijgen, zoals voorgeschreven in artikel 11, vierde lid, van de Wahv. Hierdoor was het recht op een eerlijk proces geschonden en kon de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.
Daarnaast had de officier van justitie het beroep onterecht niet-ontvankelijk verklaard omdat een brief van een buurtbegeleider, waarin om uitstel van betaling en een betalingsregeling werd gevraagd, ten onrechte als beroepschrift tegen de inleidende beschikking was aangemerkt. Het hof oordeelde dat deze brief niet als beroep kon worden beschouwd en vernietigde de beslissing van de officier van justitie. Het hof bepaalde dat de brief naar het CJIB zou worden doorgezonden voor verdere afhandeling.
De bezwaren tegen de inleidende beschikking konden daardoor niet inhoudelijk worden beoordeeld. Het hof kende wel vergoeding van proceskosten toe aan de betrokkene, waarbij voor de procedure bij de kantonrechter de vergoeding werd gehalveerd vanwege het beperkte succes. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot betaling van in totaal € 375,75 aan proceskosten.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2018.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissingen en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van € 375,75.