In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard. De betrokkene had beroep ingesteld tegen een inleidende beschikking, maar had niet binnen de gestelde termijn het verzuim hersteld. De officier van justitie had het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De gemachtigde van de betrokkene stelde dat er ten onrechte geen uitstel was verleend voor het herstel van het verzuim en dat de hoorplicht was geschonden. Het hof overwoog dat er geen recht bestaat op uitstel voor het herstellen van een verzuim en dat het niet reageren op het verzoek om uitstel weliswaar onzorgvuldig kan zijn, maar dit leidt niet tot vernietiging van de beslissing. Verder was het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor het horen achterwege kon blijven.
Omdat de betrokkene geen gronden had ingediend en geen machtiging had verstrekt, was de niet-ontvankelijkverklaring terecht. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep tegen de officier van justitie ongegrond. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €375,75.