ECLI:NL:GHARL:2017:9993

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 november 2017
Publicatiedatum
15 november 2017
Zaaknummer
200.220.854/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.2 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszakenArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 RvArt. 353 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van de instantie wegens niet betalen griffierecht in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland. Appellant heeft het verschuldigde griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn, ondanks de mogelijkheid om zich uit te laten over de toepassing van de hardheidsclausule. Het hof constateert dat geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot toepassing van de hardheidsclausule zouden kunnen leiden.

Op grond van artikel 127a lid 2 Rv in samenhang met artikel 353 Rv Pro ontslaat het hof geïntimeerde van de instantie en veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep. De kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 1.163,-, bestaande uit verschotten en het salaris van de advocaat.

De beslissing van het hof is dat geïntimeerde van de instantie wordt ontslagen en appellant de proceskosten moet betalen. Hiermee wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de griffierechtverplichting.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt ontslagen van de instantie en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten wegens niet betalen van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.220.854/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/115992 / HA ZA 16-179)
arrest van 14 november 2017 in de zaak van:
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. H. Dontje, kantoorhoudend te Emmen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen.

1.Het geding in eerste instantie

1.1
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 23 november 2016, 29 maart 2017 en 5 juli 2017 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen (hierna: de rechtbank).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij exploot van 4 augustus 2017 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 29 maart 2017 en 5 juli 2017 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 15 augustus 2017.
2.2
Het door [appellante] verschuldigde griffierecht (van € 313,- na vermindering) diende uiterlijk op 12 september 2017 te worden betaald. [appellante] heeft het griffierecht niet voldaan.
2.3
Aan [appellante] is, conform art. 2.3.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr), gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten over de toepassing van de in art. 127a lid 3 Rv neergelegde hardheidsclausule. [appellante] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2.4
[geïntimeerde] heeft op de rol laten weten dat hij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om incidenteel appel in te stellen.
2.5
De zaak is naar de rol verwezen voor arrest, waartoe [geïntimeerde] de stukken heeft overgelegd.

3.De beoordeling

3.1
Ingevolge art. 127a lid 2 Rv, in samenhang met art. 353 Rv Pro, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie indien de eisende partij het griffierecht niet (of niet tijdig) heeft voldaan, met veroordeling van de eisende partij in de kosten. Op grond van art. 127a lid 3 Rv laat de rechter toepassing van het tweede lid geheel of ten dele buiten toepassing indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.2
[appellante] heeft zich niet uitgelaten over het niet betalen van het griffierecht. Bij het hof zijn hierdoor geen omstandigheden bekend die met toepassing van de in art. 127a
lid 3 Rv neergelegde hardheidsclausule mogelijk tot het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van art. 127a lid 2 Rv aanleiding hadden kunnen geven.
3.3
Met toepassing van art. 127a lid 2 Rv zal [geïntimeerde] dan ook van de instantie worden ontslagen en zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan dit arrest worden vastgesteld op € 716,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat (½ punt in tarief II).

4.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
ontslaat [geïntimeerde] van instantie (de procedure in hoger beroep);
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan dit arrest vast op € 716,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. B.J.H. Hofstee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 november 2017.