Appellante vorderde in hoger beroep het recht om ongestoord gebruik te maken van een stukje grond (het driehoekje) van geïntimeerden, stellende dat dit een buurweg, erfdienstbaarheid of noodweg betreft. Zij stelde dat het gebruik van dit driehoekje noodzakelijk is voor een veilige ontsluiting van haar percelen naar de openbare weg.
Geïntimeerden betwistten dit en verwezen naar de ruilverkaveling waarbij alle bestaande buurwegen en erfdienstbaarheden vervallen zijn en er een erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van een ander perceel, waardoor appellante onbelemmerde toegang heeft. Tevens werd gesteld dat de verjaring van een erfdienstbaarheid over het driehoekje in 2012 is gestuit.
Het hof oordeelde dat door de ruilverkaveling en de akte van toedeling van 9 december 2004 alle bestaande rechten zijn komen te vervallen en dat het driehoekje niet als buurweg of noodweg kan worden aangemerkt. De verjaring is bovendien rechtsgeldig gestuit door het plaatsen van bielzen in 2012. Aangezien de bestaande erfdienstbaarheid voldoende ontsluiting biedt, bestaat geen grond voor het gebruik van het driehoekje.
De grieven van appellante faalden en de vonnissen van de rechtbank werden bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en de nakosten. Het arrest werd uitgesproken op 7 februari 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.