Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[verzoekster] ,
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders van een ernstig lichamelijk en geestelijk gehandicapt kind met een zeldzame stofwisselingsziekte zijn in hoger beroep gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing die de kinderrechter had verleend. Het kind was opgenomen in een ziekenhuis vanwege verslechterde gezondheid en werd daarna geplaatst in een 24-uurs opvangvoorziening. De ouders betwistten de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelden dat er geen onmiddellijk en ernstig gevaar was bij terugkeer naar huis.
Het hof onderzocht de feiten en stelde vast dat er al sinds november 2016 ernstige zorgen waren over de verzorging en veiligheid van het kind in de thuissituatie. Ondanks eerdere verbeteringen was de situatie verslechterd toen de moeder afwezig was en de vader alleen zorg droeg. De raad voor de kinderbescherming had daarom een spoedmelding gedaan en de kinderrechter machtigde de uithuisplaatsing.
De ouders voerden aan dat zij een goed functionerend zorgteam hadden en dat zij bereid waren mee te werken, maar het hof concludeerde dat de samenwerking moeizaam was, vooral door de starre houding van de vader. De thuissituatie was onveilig en onhoudbaar, en het belang van het kind stond voorop. Het hof oordeelde dat de ingreep in het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd was en dat de maatregel noodzakelijk was om de veiligheid en gezondheid van het kind te waarborgen.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking tot uithuisplaatsing en overwoog dat de maatregel moest voortduren zolang de veiligheid van het kind niet voldoende kon worden gegarandeerd. De samenwerking tussen ouders en hulpverleners was pril en kwetsbaar, en de noodzakelijke zorg thuis was nog niet volledig geregeld. Het hof gaf aan dat het belang van het kind voorop staat en dat de maatregel proportioneel en noodzakelijk is.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van het ernstig zieke kind vanwege onhoudbare en onveilige thuissituatie.