Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
- Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [appellante] aan Aegon heeft bekend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) verzekeringsfraude door op 18 augustus 2016 een valse claim bij Aegon Schadeverzekering in te dienen. Op grond hiervan vordert Aegon thans de onderzoekskosten ad € 1.661,34 van [appellante] en [appellant] . [appellante] heeft over deze kwestie niets gemeld aan de bewindvoerder, hetgeen haar is toe te rekenen.
- Aegon heeft bij brief van 10 april 2017 gemeld dat zij de verzekeringsfraude heeft laten opnemen in de daartoe bestemde registers. [appellante] en [appellant] hebben door het indienen van de onterechte claim het risico genomen dat zij zich gedurende lange termijn moeilijk zullen kunnen verzekeren en bij het aangaan van een nieuwe verzekering waarschijnlijk een hogere premie moeten betalen, hetgeen nadelig is voor hun afloscapaciteit en daarmee ook voor hun schuldeisers. Het ontstaan van de nieuwe schuld aan Aegon is [appellante] ook toe te rekenen. Dat een familielid bereid is de schuld aan Aegon te voldoen, doet volgens de rechtbank aan het vorenstaande niet af.
- Vanaf februari 2017 heeft [appellante] meer inkomsten op haar rekening gestort gekregen. Deze hogere inkomsten hadden geen invloed op de hoogte van het door de bewindvoerder (begin 2017) berekende vrij te laten bedrag (VTLB), maar wel op de afdrachtplicht. [appellante] heeft desondanks nagelaten meer aan de boedel af te dragen en heeft in plaats daarvan het geld uitgegeven om goederen in haar huis te vervangen. Het ontstaan van de boedelachterstand (een bedrag van € 1.476,09, waarin diverse kosten die, achteraf bezien, ten laste van de boedel dienden te komen, reeds zijn verdisconteerd) is [appellante] ook toe te rekenen omdat er in 2016 veel discussie is geweest over de berekening van het VTLB en ter zitting duidelijk naar voren is gekomen dat [appellante] goed begrijpt hoe de berekening van het VTLB tot stand komt en daarnaast over voldoende kennis beschikt van het VTLB om te weten dat zij het verschil tussen het VTLB en de inkomsten had moeten afdragen.
- Dat [appellante] , zoals zij heeft aangevoerd, het zwaar heeft met haar echtgenoot, twee kinderen en de nieuwe zwangerschap, rechtvaardigt haar handelen volgens de rechtbank niet, temeer daar zij al geruime tijd hulp heeft.