ECLI:NL:GHARL:2017:7615
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging uithuisplaatsing minderjarige
In deze zaak stond de beëindiging van een uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De minderjarige had rechtstreeks bij de kinderrechter verzocht om terugplaatsing naar huis, zonder eerst een verzoek in te dienen bij de gecertificeerde instelling (GI). De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing bekort, maar het verzoek tot beëindiging afgewezen.
Het hof stelde vast dat volgens artikel 1:265d BW de minderjarige eerst een verzoek bij de GI had moeten indienen alvorens naar de rechter te stappen. Omdat dit niet was gebeurd, werd het verzoek van de minderjarige niet-ontvankelijk verklaard. Het hof vernietigde de beschikking van de kinderrechter en droeg de griffier op het verzoek alsnog door te sturen aan de GI.
Het hof overwoog ook dat het niet eens zijn met de plaatsing op zich onvoldoende is om de uithuisplaatsing te beëindigen; er moeten gewijzigde omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De GI zal de minderjarige eerst horen alvorens een beslissing te nemen. De moeder was als wettelijk vertegenwoordiger belanghebbende, maar verscheen niet bij de zitting.
De beslissing werd in hoger beroep genomen door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en op 31 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek van de minderjarige tot beëindiging van de uithuisplaatsing is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet eerst indienen van het verzoek bij de gecertificeerde instelling.