Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker, verder te noemen: verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin verzoeker heeft verzocht om verweerder als executeur te ontslaan en bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Verzoeker wilde tevens een notaris benoemen als waarnemend executeur om de nalatenschapsadministratie te verkrijgen.
De erflater was overleden en had verweerder benoemd tot executeur en bewindvoerder. Verzoeker vorderde in eerste aanleg onder meer de schorsing van verweerder als executeur. De rechtbank wees dit verzoek af en bepaalde dat de executeur actief moest handelen om legatarissen op te sporen.
In hoger beroep verzocht verzoeker opnieuw om schorsing van de executeur bij wijze van voorlopige voorziening. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 676a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen beschikkingen inzake schorsing van een executeur geen hoger beroep openstaat, behoudens cassatie in het belang der wet. Omdat geen doorbrekingsgrond was gesteld of gebleken, verklaarde het hof verzoeker niet-ontvankelijk.
De mondelinge behandeling vond plaats met aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Het hof wees ook bepaalde laat ingediende stukken af wegens onvoldoende voorbereidingstijd voor verweerder. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om schorsing van de executeur bij wijze van voorlopige voorziening.