Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:6572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2017
Publicatiedatum
1 augustus 2017
Zaaknummer
21-002288-15
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken tijdige appelschriftuur

In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter, maar heeft nagelaten tijdig een appelschriftuur met grieven in te dienen zoals vereist volgens artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel de advocaat-generaal wel een schriftuur bezat, ontbrak een handtekening en een stempel van ontvangst, waardoor geen sprake was van een tijdige indiening.

De politierechter had het openbaar ministerie eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, met name het verbod op willekeur. Dit was mede gebaseerd op het feit dat het OM ruim drie jaar had gewacht met het uitbrengen van een dagvaarding en dat er themazittingen werden gehouden waarbij het OM zelf niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege de ouderdom van de zaken.

Het hof achtte geen gronden aanwezig om ondanks het ontbreken van een tijdige appelschriftuur de zaak toch inhoudelijk te behandelen. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De uitspraak werd op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting gedaan.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep wegens het ontbreken van een tijdig ingediende appelschriftuur.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002288-15
Uitspraak d.d.: 14 juli 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 1 april 2015 met parketnummer 96-030464-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. I. Petkovski, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ingevolge artikel 410, eerste lid, dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in te dienen op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. Indien deze schriftuur niet of te laat wordt ingediend kan het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In onderhavige zaak bevindt zich geen schriftuur van de officier van justitie in het dossier van het hof. De advocaat-generaal is in het bezit van een schriftuur. Deze schriftuur is echter niet voorzien van een handtekening van de officier van justitie en ook niet van een stempel datum binnenkomst van de griffie van de rechtbank Overijssel. Van een tijdig ingediende appelschriftuur zoals bedoeld in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is dan ook geen sprake.
Een fout of verzuim van de rechtbank Overijssel dienaangaande is gesteld noch gebleken.
De politierechter heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, namelijk het verbod op willekeur, omdat gelet op alle omstandigheden van het geval de vervolgingsbeslissing niet kon worden beschouwd als een product van een redelijke en billijke belangenafweging. In zijn oordeel heeft de politierechter meegenomen dat het openbaar ministerie ruim drie jaar heeft gewacht met het uitbrengen van een dagvaarding tegen verdachte alsmede dat er op dat moment door het openbaar ministerie zogenaamde themazittingen werden georganiseerd bij de rechtbanken Gelderland en Overijssel, waarbij het openbaar ministerie gerekwireerd heeft tot zijn eigen niet-ontvankelijkheid vanwege de ouderdom van de zaken.
Het hof acht geen termen aanwezig de zaak (ondanks het ontbreken van een appelschriftuur in het dossier) toch inhoudelijk te behandelen.
Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mr. J.D. den Hartog en mr. W.A. Holland, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Bresser, griffier,
en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld.
mr. C.L. van Kooten, advocaat-generaal,
mr. J.G. Bresser, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.