ECLI:NL:GHARL:2017:6508
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidskwestie klacht tegen officier van justitie inzake sepotbeslissing
De zaak betreft een klacht ex artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering tegen een voormalige officier van justitie bij het arrondissementsparket Arnhem. De klacht richt zich op de beslissing van een officier van justitie van het Landelijk Parket om geen strafvervolging in te stellen in een onderzoek naar het overlijden van de zoon van klager in Irak.
Klager betoogt dat relevante getuigenverklaringen uit het dossier zijn gehouden en dat de officier van justitie mogelijk meineed en verduistering heeft gepleegd. De klacht werd uitgebreid en ingediend bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof heeft in raadkamer de bevoegdheid onderzocht en geoordeeld dat omdat de beklaagde werkzaam was binnen het ressort Arnhem, maar de sepotbeslissing door het Landelijk Parket is genomen, uitsluitend het gerechtshof Den Haag bevoegd is. Daarom verklaart het hof zich onbevoegd en verwijst de zaak door.
De advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring omdat er geen duidelijke aangifte tegen beklaagde was gedaan, maar het hof liet dit in het midden en beperkte zich tot de bevoegdheidsvraag.
De beschikking is gewezen door drie raadsheren en ondertekend door de voorzitter en griffier op 28 juli 2017.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de klacht door naar het gerechtshof Den Haag.