ECLI:NL:GHARL:2017:6370
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte was eerder vrijgesproken van witwassen van een bedrijfshal en het onjuist opmaken van belastingaangiften. Het hof veroordeelde de verdachte wel voor medeplegen van schuldwitwassen en legde een werkstraf op.
De advocaat-generaal had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van bijna 1,9 miljoen euro, met een betalingsverplichting aan de Staat van circa 499.400 euro. Het hof heeft deze vordering echter afgewezen omdat uit de bewezenverklaring niet wettig en overtuigend kan worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het witwassen.
Het hof baseert zich hierbij op het Geerings-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat feiten waarvoor iemand is vrijgesproken niet mogen worden betrokken in de ontnemingsprocedure. Gezien de vrijspraak van de verdachte voor het witwassen van de bedrijfshal, kan het gevorderde voordeel niet worden vastgesteld.
Daarom vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep en wijst het de vordering tot ontneming af. Het arrest is uitgesproken op 12 april 2017 door een meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.