ECLI:NL:GHARL:2017:6370

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 april 2017
Publicatiedatum
25 juli 2017
Zaaknummer
21-004602-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte was eerder vrijgesproken van witwassen van een bedrijfshal en het onjuist opmaken van belastingaangiften. Het hof veroordeelde de verdachte wel voor medeplegen van schuldwitwassen en legde een werkstraf op.

De advocaat-generaal had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van bijna 1,9 miljoen euro, met een betalingsverplichting aan de Staat van circa 499.400 euro. Het hof heeft deze vordering echter afgewezen omdat uit de bewezenverklaring niet wettig en overtuigend kan worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het witwassen.

Het hof baseert zich hierbij op het Geerings-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat feiten waarvoor iemand is vrijgesproken niet mogen worden betrokken in de ontnemingsprocedure. Gezien de vrijspraak van de verdachte voor het witwassen van de bedrijfshal, kan het gevorderde voordeel niet worden vastgesteld.

Daarom vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep en wijst het de vordering tot ontneming af. Het arrest is uitgesproken op 12 april 2017 door een meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004602-13
Uitspraak d.d.: 12 april 2017
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 april 2013 met parketnummer 05-900408-09 in de strafzaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 januari 2014, 26 augustus 2015 en 15 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op € 1.892.390 en het aan de Staat te betalen bedrag vaststelt op € 499.400. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en haar raadsman, mr. M.W.G.J. IJsseldijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Overweging met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Door de rechtbank is verdachte bij vonnis van 2 oktober 2012 vrijgesproken van het witwassen van een bedrijfshal en van het in strijd met de waarheid opmaken van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007.
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 12 april 2017 (parketnummer 21-004036-12-12 ter zake van medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd veroordeeld tot een werkstraf.
In het Geerings-arrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349) is kort gezegd expliciet uitgesproken dat feiten waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is vrijgesproken niet betrokken kunnen worden in de ontnemingsprocedure.
Naar het oordeel van het hof valt uit de feiten en omstandigheden waarvoor het hof veroordeelde heeft veroordeeld niet wettig en overtuigend af te leiden dat verdachte uit de baten van het witwassen aantoonbaar wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. T.M.L. Wolters en mr. H. Heins, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,
en op 12 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Wolters is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 april 2017.
Tegenwoordig:
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. H. Heins en A.J. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte

[veroordeelde] ,

geboren te Wageningen op [1965] ,
wonende te [woonplaats] .
is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.