Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het niet tijdig overdragen van de administratie na faillissement en het wegsleusen van goederen en geld uit het faillissement van een bedrijf waarvan hij bestuurder was. Het hof bevestigt de bewezenverklaring, met uitzondering van de strafoplegging, die het vernietigt en opnieuw bepaalt.
De advocaat-generaal vorderde een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar, plus een ontzetting van vijf jaar uit het beroep van feitelijk bestuurder. De verdediging stelde dat het benadelingsbedrag lager was door een betaling van € 300.000,- aan de curator.
Het hof oordeelt dat de straf passend is, maar wijzigt de proeftijd naar twee jaar en ziet af van ontzetting vanwege het ontbreken van eerdere veroordelingen, de huidige loondienst en de intentie van verdachte geen bedrijven meer te besturen. De straf weerspiegelt de ernst van het feit dat de curator door het niet overdragen van de administratie werd belemmerd in zijn taak.