Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd met huwelijkse voorwaarden van 2 oktober 1989, waarin iedere gemeenschap van goederen werd uitgesloten. Op 9 december 2010 wijzigden zij deze voorwaarden naar een wettelijke gemeenschap van goederen. De vrouw vroeg echtscheiding aan en de man verzocht vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden.
De rechtbank wees het beroep van de man af en stelde hoger beroep open. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn voor vernietiging wegens dwaling niet was verstreken en beoordeelde vervolgens de gestelde wilsgebreken: bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling. Het hof vond geen bewijs dat de vrouw de man heeft misleid of dat sprake was van misbruik van omstandigheden.
Ook de stelling dat de man niet wist dat de huwelijkse voorwaarden ook bij echtscheiding gelden, werd verworpen. Het hof concludeerde dat de vrouw de man voldoende heeft geïnformeerd en dat geen sprake is van een aan haar toe te rekenen dwaling. Het beroep van de man faalt en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De geldigheid van de huwelijkse voorwaarden van 9 december 2010 wordt bevestigd en het beroep op vernietiging wordt afgewezen.