Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun kind. Na ontbinding van hun huwelijk is het hoofdverblijf van het kind bij de moeder vastgesteld, met een zorgregeling waarbij het kind wekelijks bij de vader verblijft. De moeder verzocht vervangende toestemming om met het kind naar het buitenland te verhuizen, wat door de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde de moeder dat zij in het buitenland betere kansen heeft op werk en een sociaal netwerk, en dat de verhuizing geen grote nadelige gevolgen voor het kind zou hebben. De vader stelde dat een verhuizing de zorgregeling en zijn betrokkenheid bij het kind ernstig zou beperken, wat niet in het belang van het kind is.
Het hof overwoog dat de moeder onvoldoende noodzaak voor de verhuizing had aangetoond en dat de belangen van het kind zwaarder wegen. De afstand zou leiden tot minder contact, vooral doordeweeks, en het kind zou minder betrokken zijn bij de Nederlandse taal en omgeving. Daarom werd het verzoek afgewezen en de eerdere beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland af en bekrachtigt de eerdere beschikking.