ECLI:NL:GHARL:2017:349

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
19 januari 2017
Zaaknummer
200.204.520/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over hoofdverblijfplaats minderjarige in complexe scheiding

In deze zaak is de moeder in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin de vader verzocht om de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind bij hem te bepalen. Het geschil betreft de hoofdverblijfplaats van het kind, geboren in 2010, en speelt binnen het kader van een pilot voor complexe scheidingen.

Het hof heeft in het kader van deze pilot onderzocht of er op korte termijn maatregelen kunnen worden genomen om de procedure te de-escaleren en sneller af te handelen. Beide partijen hebben aangegeven open te staan voor het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding' van een externe organisatie, hoewel het hof constateerde dat de eerstgenoemde organisatie niet in het werkgebied van het kind valt. Daarom is een alternatief hulpverleningstraject voorgesteld.

Het hof heeft besloten om iedere verdere beslissing aan te houden en partijen te verwijzen naar het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiden' van een organisatie die binnen het werkgebied van het kind actief is. Partijen worden opgedragen zich te wenden tot het sociale wijkteam of Jeugdbescherming voor een indicatie en om het hof te informeren over de rapportage en bevindingen. Hiermee wordt beoogd een constructieve oplossing te bevorderen in het belang van het kind.

Uitkomst: Verzoek vader om hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen wordt afgewezen en partijen worden verwezen naar een hulpverleningstraject.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.204.520/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/418633 / FL RK 16-1336)
beschikking van 17 januari 2017
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.M. Vos te Rotterdam,
en
[verweerder],
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 november 2016, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, wordt afgewezen.
2.2
De vader heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 januari 2017.
2.3
Voorts zijn bij de griffie van het hof binnengekomen:
- een journaalbericht van 20 december 2016 van mr. Vos;
- een journaalbericht van 22 december 2016 van mr. Pater.

3.De motivering van de beslissing

3.1
In het kader van een pilot "complexe scheidingen" heeft een raadsheer de stukken beoordeeld in het licht van de vraag of al in dit vroege stadium van de appelprocedure op korte termijn maatregelen kunnen worden genomen die een snellere en de-escalerende afhandeling bevorderen. Gelet op de stukken hebben partijen in ieder geval onenigheid over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 in de gemeente [C] .
3.2
Het hof heeft - in het kader van voornoemde pilot - bij brief van 12 december 2016 aan partijen voorgehouden dat het, zonder op de verdere procedure vooruit te willen lopen, meent dat partijen en hun kind(eren) in dit stadium gebaat zouden kunnen zijn bij een hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding' van [D] . Aan partijen is verzocht om aan het hof kenbaar te maken of zij voor deze suggestie openstaan. Beide partijen hebben het hof laten weten te willen meewerken aan het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding'. Het hof constateert dat per abuis in de brief het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding' van [D] is genoemd, terwijl de kinderen woonachtig zijn in [B] en dit buiten het gebied van [D] ligt. Het hof gaat er vanuit dat partijen eveneens openstaan voor het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiden' (bemiddeling) van [E] (zie voor informatie op www. [E] .nl/ouders/scheiding). Derhalve zal het hof beslissen als na te melden.
3.3
In afwachting van het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4.De beslissing

Het gerechtshof:
alvorens verder te beslissen:
verwijst partijen naar het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiden' (bemiddeling) van [E] en draagt partijen op om zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking, derhalve
uiterlijk op 31 januari 2017, tot het sociale wijkteam van de gemeente Noordoostpolder of Jeugdbescherming Overijssel te wenden ten behoeve van het verkrijgen van een indicatie voor deelname aan dit hulpverleningstraject;
draagt (de advocaten van) partijen op het hof
uiterlijk op 25 april 2017te informeren over de rapportage en de bevindingen van [E] door toezending daarvan aan het hof;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. G. Jonkman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 januari 2017 in bijzijn van de griffier.