ECLI:NL:GHARL:2017:3460

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 april 2017
Publicatiedatum
21 april 2017
Zaaknummer
21-001874-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 3a Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs herkenning verdachte bij bezit heroïne en cocaïne

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit van heroïne en cocaïne op of omstreeks 12 juni 2015. In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de politierechter vernietigd vanwege onvoldoende bewijs voor de herkenning van de verdachte door twee verbalisanten.

De verbalisanten herkenden de verdachte op een scooter die was gekoppeld aan zijn naam, maar deze herkenning vond plaats na het bekijken van een foto op het politiebureau en nadat zij wisten dat de verdachte in harddrugs handelde. Het tijdsverloop tussen de waarneming en de herkenning, alsmede de aard van de foto, zijn onbekend, waardoor de betrouwbaarheid van de herkenning twijfelachtig is.

Het signalement van de bestuurder was te algemeen en het is onduidelijk op basis van welke specifieke kenmerken de herkenning plaatsvond. Hierdoor acht het hof de herkenning onvoldoende betrouwbaar als bewijs. Het gerechtshof verklaart daarom dat het niet bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde bezit heeft gepleegd en spreekt hem vrij.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen neemt het hof geen beslissing vanwege het ontbreken van een beslaglijst in het dossier.

Deze uitspraak is gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 april 2017.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor bezit van heroïne en cocaïne.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001874-16
Uitspraak d.d.: 20 april 2017
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 maart 2016 met het parketnummer 18-002808-16 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 6 april 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof zal gelasten dat de in beslag genomen voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte. De advocaat-generaal heeft de schriftelijke vordering na voorlezing aan het gerechtshof overgelegd.
Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. M.W.J. Rosendaal, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot de straf die in hoger beroep is gevorderd door de advocaat-generaal. Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de politierechter beslist zoals in hoger beroep is gevorderd door de advocaat-generaal.
Het gerechtshof zal dit vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2015 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 3,765 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 5,692 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vrijspraak

Het gerechtshof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde bezit van heroïne en cocaïne. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, op grond van een bewijsverweer dat is gericht tegen de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door twee verbalisanten.
Bedoelde verbalisanten hebben blijkens het politieonderzoek verklaard in de verdachte de persoon te herkennen die zij op een scooter met het kenteken [kenteken] zagen wegrijden van een adres van een (hen ambtshalve bekende) gebruiker van hard drugs. Deze herkenning is echter niet spontaan tot stand gekomen maar eerst nadat de verbalisanten aan de hand van een onderzoek op basis van het kenteken van de scooter hebben ontdekt dat de scooter op naam stond van de verdachte en zij uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie hadden begrepen dat de verdachte in hard drugs handelt. De herkenning vond plaats op basis van een op een politiebureau beschikbare foto van de verdachte.
Het gerechtshof stelt vast dat de eerste waarneming van de scooterbestuurder door de verbalisanten ’s middags op straat plaatsvond op 12 juni 2015, op een afstand van vijfentwintig meter, en dat door hen hiervan proces-verbaal is opgemaakt op 16 juni 2015. Op welk moment van de vijf dagen tussen de waarneming op straat en het opmaken van het proces-verbaal de verbalisanten de foto van de verdachte echter hebben bekeken, is onbekend. Dat kan reeds op 12 juni 2015 het geval zijn geweest, maar zo is het niet verwoord door de verbalisanten. Daardoor is onbekend hoeveel tijd is verstreken tussen de waarneming op straat en de herkenning. Dat tijdsverloop kan van belang zijn voor de waardering van de bewijskracht van die herkenning.
Welke foto tot de herkenning heeft geleid en wat daarop te zien is, is eveneens onbekend nu bedoelde foto niet is toegevoegd aan het politie-onderzoek. Ook die foto kan van belang zijn voor de waardering van de bewijskracht van de herkenning.
Het signalement van het uiterlijk van de persoon die de verbalisanten hebben waargenomen op de scooter is door hen omschreven als: een jongen met een Noord Afrikaans uiterlijk van ongeveer vijfentwintig jaar en een lengte van ongeveer één meter tachtig, met zwart, kort haar, een zwarte snor en een zwart baardje. Dit signalement komt grotendeels overeen met het signalement dat door een getuige is verstrekt.
Het gerechtshof acht dit signalement echter te weinig specifiek om daaraan betekenis te kunnen toekennen.
Of de verbalisanten de verdachte hebben herkend op basis van specifieke (gelaats)kenmerken en, zo ja, welke, is eveneens onbekend. Met name dergelijke informatie is van belang voor de waardering van de bewijskracht van de herkenning.
Het bovenstaande roept dusdanige vragen en twijfels op over de (wijze van) herkenning van de verdachte door de verbalisanten dat - mede gelet op het gevoerde bewijsverweer - die herkenning naar het oordeel van het hof niet als bewijs kan dienen. Dit dient te leiden tot vrijspraak.

Beslag

Nu zich in het strafdossier niet een beslaglijst bevindt, zal het gerechtshof geen beslissing nemen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. L.G. Wijma, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 20 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Versteeg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.