ECLI:NL:GHARL:2017:326

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
18 januari 2017
Zaaknummer
200.197.589/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 RvArt. 353 RvArt. 2.3.2 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdig betalen griffierecht zonder gemotiveerd beroep op hardheidsclausule

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 januari 2017 uitspraak gedaan over een hoger beroep waarin het griffierecht niet tijdig was betaald door de eiseres, Nederlandse Uitvaartmaatschappij B.V. (NUMA). De appellant had het griffierecht van €314,- pas op 24 oktober 2016 voldaan, terwijl de uiterste betaaldatum 27 september 2016 was.

Het hof heeft aan de appellant conform het Landelijk procesreglement gelegenheid gegeven om zich uit te laten over de toepassing van de hardheidsclausule zoals neergelegd in art. 127a lid 3 Rv. De appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt en heeft geen redenen aangevoerd voor het late betalen van het griffierecht.

Op grond van art. 127a lid 2 Rv, in samenhang met art. 353 Rv Pro, ontslaat de rechter de eisende partij van de instantie indien het griffierecht niet tijdig is betaald, tenzij toepassing van de hardheidsclausule een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Het hof oordeelt dat geen omstandigheden zijn aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen en ontslaat NUMA van de instantie. De appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, welke nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: Eiseres wordt van de instantie ontslagen wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder gemotiveerd beroep op de hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.197.589/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4684412 \ CV EXPL 15-17120)
arrest van 17 januari 2017 in de zaak van
[appellant],
wonende te [A] ,
appellant,
hierna:
[appellant],
in eerste aanleg: eiser,
advocaat: mr. F.M. Meis, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
Nederlandse Uitvaartmaatschappij B.V.,
gevestigd te Baarn,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna:
NUMA,
niet verschenen.

1.Het geding in eerste instantie

1.1
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 11 mei 2016 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter), tussen [appellant] als gedaagde en Nederlandse Uitvaartverzorging Maatschappij (NUMA) B.V. als eiseres.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij exploot van 8 augustus 2016 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis met dagvaarding van NUMA tegen de zitting van 30 augustus 2016. De conclusie van de appeldagvaarding, waarin de grieven zijn opgenomen, strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van NUMA, met veroordeling van NUMA in de kosten van beide instanties.
2.2
Op de eerst dienende dag is NUMA niet verschenen en is tegen haar verstek verleend. Op de rol van 6 september 2016 heeft [appellant] voor eis geconcludeerd conform de appeldagvaarding.
2.3
Het door [appellant] verschuldigde griffierecht diende uiterlijk op 27 september 2016 te worden betaald. [appellant] heeft het van hem geheven griffierecht van € 314,- voldaan op 24 oktober 2016.
2.4
Aan [appellant] is, conform art. 2.3.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr), gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten over de toepassing van de in art. 127a lid 3 Rv neergelegde hardheidsclausule. [appellant] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2.5
Ten slotte is de zaak naar de rol verwezen voor arrest, te wijzen op het griffiedossier.

3.De beoordeling

3.1
Ingevolge art. 127a lid 2 Rv, in samenhang met art. 353 Rv Pro, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie indien de eisende partij het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, met veroordeling van de eisende partij in de kosten. Op grond van art. 127a lid 3 Rv laat de rechter toepassing van het tweede lid geheel of ten dele buiten toepassing indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.2
[appellant] heeft zich niet uitgelaten over de reden voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Bij het hof zijn hierdoor geen omstandigheden bekend die met toepassing van de in art. 127a lid 3 neergelegde hardheidsclausule mogelijk tot het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van art. 127a lid 2 Rv aanleiding hadden kunnen geven.
3.3
Met toepassing van art. 127a lid 2 Rv zal NUMA dan ook van de instantie worden ontslagen en zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (nihil).
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
ontslaat NUMA van instantie (de procedure in hoger beroep);
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van NUMA tot aan deze uitspraak vast op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. L. Groefsema, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 januari 2017.