Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep en
1.Het geding in eerste aanleg
- het beroepschrift met producties 65 tot en met 67, tevens houdende een verzoek als bedoeld in artikel 843a Rv, ingekomen op 20 mei 2016;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 123 tot en met 140;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 68 tot en met 76;
- een journaalbericht van mr. Delfgaauw van 26 januari 2017 met producties 141 tot en met 143 en 145;
- een journaalbericht van mr. Delfgaauw van 31 januari 2017 met productie 144.
3.De vaststaande feiten
[bedrijf 4] B.V. (…);
[bedrijf 5] B.V. (…);
[bedrijf 6] B.V. (…);
[bedrijf 7] B.V.
De hiervoor omschreven verplichting tot uitkering geldt niet (meer) in de navolgende gevallen:
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
“hiervoor bedoelde (…) aandelen”alle (klein)dochtervennootschappen moeten worden begrepen die onder [bedrijf 1] B.V. vallen.
gedurendehet geregistreerd partnerschap de waardegroei vanaf 1 januari 2003 tot het moment van vervreemding moet worden afgerekend.