ECLI:NL:GHARL:2017:3078

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2017
Publicatiedatum
11 april 2017
Zaaknummer
16/00832
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrek specifieke zorgkosten voor behandeling van morbide obesitas in het buitenland

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 april 2017 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten door een belanghebbende die lijdt aan morbide obesitas. De belanghebbende had in 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen, welke door de inspecteur van de belastingdienst was vastgesteld. De inspecteur had het bezwaar van de belanghebbende ongegrond verklaard, waarna de belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verlaagde de aanslag, waarbij een bedrag van € 13.339 aan specifieke zorgkosten werd toegelaten.

De belanghebbende had in de zomer van 2013 een intensief programma gevolgd in een sportresort in de Verenigde Staten, ter bestrijding van haar morbide obesitas. De inspecteur weigerde echter de aftrek van deze kosten, omdat hij van mening was dat het programma geen medische behandeling betrof. Het hof oordeelde dat de belanghebbende, ondanks dat de kosten niet eerder waren opgevoerd, recht had op aftrek van een bedrag van € 12.979 als specifieke zorgkosten. Het hof oordeelde dat de behandelingen in het buitenland, hoewel niet volledig conform het voorschrift van de arts, voldoende medisch onderbouwd waren en dat de belanghebbende door paramedici was behandeld.

Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering gegrond en verlaagde de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 35.389. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een multidisciplinaire aanpak bij de behandeling van morbide obesitas en de mogelijkheid van aftrek van zorgkosten die in het buitenland zijn gemaakt, mits deze aan de wettelijke voorwaarden voldoen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht
Locatie Leeuwarden
Nummer 16/00832
uitspraakdatum:
11 april 2017
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de belastingdienst/kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2016, nummer AWB 15/5197, in het geding tussen de Inspecteur en
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 47.275, waarop een persoonsgebonden aftrek in mindering dient te worden gebracht, waarvoor een bedrag van € 13.339 aan specifieke zorgkosten als basis dient.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende leed aan morbide obesitas. In het verleden heeft belanghebbende diverse therapieën gevolgd teneinde van deze ziekte te genezen, evenwel zonder resultaat.
2.2.
In het jaar 2013 volgde belanghebbende als arts-assistent een opleiding tot cardioloog. Zij woog in het begin van het jaar ongeveer 170 kilo. Door haar overgewicht was belanghebbende niet in staat om echo’s te maken, wat voor haar opleiding en werk noodzakelijk was. Zij liep daardoor het risico geheel arbeidsongeschikt te worden en haar opleiding tot cardioloog te moeten staken. In het kader daarvan heeft zij contact opgenomen met [A] , bedrijfsarts van ziekenhuis [B] .
2.3.
Teneinde haar eetstoornis onder controle te krijgen en in een korte tijd veel gewicht te verliezen heeft belanghebbende in de periode van 28 juli 2013 tot en met 19 oktober 2013 een intensief programma gevolgd in het [C] in de Verenigde Staten (hierna: het [C] ). Daaraan voorafgaand en daarna heeft belanghebbende bij de GGZ-instelling [D] B.V. (hierna: [D] ), een instelling voor verslavingszorg, aanvullende psychische begeleiding gekregen. Met instemming van het hoofd van de opleiding cardiologie is belanghebbende voor de periode van 29 juli 2013 tot en met 26 november 2013 door de bedrijfsarts [A] volledig arbeidsongeschikt verklaard, zodat belanghebbende in staat was voormelde behandelingen te volgen. De behandelingen hebben ertoe geleid dat belanghebbende in een korte tijd veel gewicht heeft verloren en dat zij haar opleiding tot cardioloog heeft kunnen voltooien.
2.4.
Tot de gedingstukken behoort een brief van [E] , psychiater, met dagtekening 29 juni 2013, gericht aan voornoemde bedrijfsarts. De inhoud hiervan is als volgt:
"
Op 31 mei j.l. zag ik voor psychiatrisch onderzoek in het kader van de indicatiestelling voor behandeling van de eetstoornis bovengenoemde patiënte. Haar eetstoornis betreft een eetpatroon van het ‘binge eating’ type met een familiaire component, waarvoor pte reeds e.e.a. aan (ambulante) behandelingen heeft gehad echter zonder het gewenste resultaat. Bij de manifeste adipositas is er tevens sprake van hypertensie waarvoor zij op medicatie ingesteld is. De lijdensdruk is ernstig, haar motivatie voor specialistische behandeling is evident aanwezig. Pte heeft, mede door haar drukke opleidingsprogramma voor cardioloog, behoefte de intensieve behandeling gepast te organiseren zodat het valt in een afgestemde vakantieperiode. Het psychiatrisch onderzoek concludeert verder geen psychopathologie i.e.z. i.c. geen contraindicatie voor een intensief behandeltraject, zowel in groeps- als individueel verband.
De prognose is, gelet op de behandelmotivatie, haar ambitie en het professioneel werkplezier, gunstig in te schatten. Ik adviseerde pte te starten met een (kennismaking)traject volgens het (12Stappen)Minnesota model bij [D] te [Z] en dit te vervolgen met een conforme uitgebreide klinisch gespecialiseerde –multidisciplinaire- benadering voor eetstoornissen in de Verenigde Staten, waarna tenslotte weer de nazorg bij [D] gerealiseerd kan worden."
2.5.
Tot de gedingstukken behoort eveneens een brief van 12 mei 2016 van voormelde bedrijfsarts [A] aan belanghebbende. Zij verklaart daarin het volgende:
"
(…) Uw voorstel was een programma te volgen in Amerika, die psychische begeleiding combineerde met een dagelijks intensief fysiek beweegprogramma, waar zeer goede resultaten mee geboekt werden en waarvan het de verwachting was dat u in 3 mnd 40 kg gewicht zou moeten kunnen verliezen. Een vergelijkbaar programma bestaat niet in Nederland of de ons omringende landen en in Amerika bestaat een zeer grote ervaring om mensen met de diagnose morbide obesitas te helpen op deze manier.
(…)
De behandeling in Amerika is destijds zeer succesvol verlopen en u hebt een natraject gevolgd in Nederland bij [D] .
Vanaf 18-11-13 bent u eerst gedeeltelijk en na 2 weken weer volledig gereintegreerd in uw eigen functie.
Het blijkt dat uw gewicht blijvend fors gereduceerd is, u bent volledig arbeidsgeschikt gebleven voor uw eigen werk en kunt binnen kort uw opleiding afronden.
(…)"
2.6.
Belanghebbende heeft destijds de - door de zorgverzekeraar niet vergoede - kosten van het volgen van het programma van het [C] -instituut niet opgevoerd in haar aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013. De aanslag in de IB/PVV voor 2013 is in overeenstemming met haar aangifte op 14 juni 2014 vastgesteld naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.275, tevens verzamelinkomen.
2.7.
Nadat zij door haar adviseur erop was gewezen dat het door haar betaalde verblijf in het [C] mogelijkerwijs tot een aftrekpost voor de IB/PVV zou kunnen leiden, heeft belanghebbende ruim na afloop van de bezwaartermijn contact gezocht met de Inspecteur. De Inspecteur heeft belanghebbende toen geïnformeerd over de voor de aftrek van specifieke zorgkosten geldende voorwaarden en heeft belanghebbende gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. Bij bezwaarschrift van 9 juli 2015 heeft belanghebbende verzocht om de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2013 te verminderen door alsnog rekening te houden met de door haar gemaakte kosten van het volgen van het [C] -programma.
2.8.
Nadat de Inspecteur van belanghebbende aanvullende informatie had ontvangen, heeft hij zich in zijn brief van 27 oktober 2015 op het standpunt gesteld dat het in het [C] gevolgde programma geen medische behandeling behelst. De Inspecteur heeft om die reden de aftrek geweigerd. Met een verwijzing naar zijn brief van 27 oktober 2015 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende vervolgens afgewezen.
2.9.
De Rechtbank heeft met instemming van partijen de beslissing op bezwaar aangemerkt als een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in de zin van artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001. Tevens heeft de Rechtbank geoordeeld dat het beroep is gericht tegen die afwijzing en dat belanghebbende op grond van artikel 7:1, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in haar beroep ontvankelijk is aangezien partijen ter zitting van de Rechtbank waren overeengekomen de bezwaarfase over te slaan.
2.10.
In haar uitspraak heeft de Rechtbank een bedrag van € 13.339 als specifieke zorgkosten in aftrek toegelaten. Hierin is een bedrag opgenomen van € 360 aan eigen bijdrage voor de door belanghebbende gevolgde behandeling bij [D] .

3.Het geschil

3.1.
In geschil is of het belanghebbende ter zake van het door haar in het [C] gevolgde programma een bedrag van € 12.979 als specifieke zorgkosten in aftrek kan brengen, welke vraag door de Inspecteur ontkennend en door belanghebbende bevestigend wordt beantwoord. Niet in geschil is dat de eigen bijdrage van € 360 op de voet van artikel 6.18, eerste lid, onder e, van de Wet IB 2001 niet aftrekbaar is en dat om die reden de uitspraak van de Rechtbank niet juist is.
3.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het door belanghebbende gevolgde [C] -programma slechts een intensief sportprogramma is, dat niet als genees- en heelkundige hulp aangemerkt kan worden. Ook stelt de Inspecteur dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende haar verblijf in het [C] rechtstreeks begeleid is door een (para)medicus of dat zij in het [C] therapeutische activiteiten verricht heeft onder omstandigheden waarin gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen.
3.3.
Belanghebbende heeft de standpunten van de Inspecteur gemotiveerd bestreden.

4.Beoordeling van het geschil

Vooreerst en vooraf
4.1.
Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn contact heeft gezocht met de Inspecteur met de vraag of alsnog de in 2013 door haar gemaakte kosten van het [C] in aftrek gebracht kunnen worden, had de Inspecteur het bezwaar moeten opvatten als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in de zin van artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001. De Inspecteur heeft belanghebbende ten onrechte verwezen naar het rechtsmiddel van bezwaar. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden de beslissing op bezwaar heeft opgevat als een afwijzing van vorenvermeld verzoek en belanghebbende op grond van artikel 7:1, aanhef en onder a, van de Awb in haar beroep ontvankelijk geacht ondanks het ontbreken van een uitspraak op bezwaar.
Ten gronde
4.2.
Artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 in de voor het jaar 2013 geldende tekst definieert de persoonsgebonden aftrek als het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 zijn de uitgaven voor specifieke zorgkosten persoonsgebonden aftrekposten.
4.3.
Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:
a. genees- en heelkundige hulp (…);
(…)."
4.4.
Het negende lid van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder geneeskundige- en heelkundige hulp verstaan:
(…)
een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;
(…)."
4.5.
Niet in geschil is dat belanghebbendes verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 47.275 bedraagt. De voor de specifieke ziektekosten geldende drempel bedraagt voor belanghebbende op grond van artikel 6.20, eerste lid, van de Wet IB 2001 € 1.093.
4.6.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat in het [C] paramedici in de hoedanigheid van diëtisten, psychlogen en fysiotherapeuten werkzaam zijn. Weliswaar stelt de Inspecteur dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het [C] door paramedici is behandeld, maar het Hof hecht geloof aan de ter zitting van het Hof gegeven verklaring van belanghebbende dat zij in het [C] is behandeld door een diëtiste, een psychologe en een fysiotherapeut, oftewel een multidisciplinair team.
4.7.
De brief van [E] , psychiater, vat het Hof op als het in artikel 6.17, negende lid, onder b, van de Wet IB 2001 vereiste voorschrift van een arts. De Inspecteur stelt dat belanghebbende zich niet aan dit voorschrift heeft gehouden doordat zij bij [D] het 12-stappenplan van het Minnesotamodel niet zou hebben gevolgd. Ook stelt de Inspecteur dat de door belanghebbende gevolgde behandeling in het [C] niet is begeleid door een arts. In de omstandigheid dat belanghebbende overeenkomstig het voorschrift van haar psychiater zowel het voor- als het natraject van de in het [C] ondergane behandeling bij [D] , een GGZ-instelling, waarvan belanghebbendes zorgverzekeraar de kosten wel heeft vergoed, heeft gevolgd, ziet het Hof voldoende aanleiding om te oordelen dat belanghebbende, alhoewel niet rechtstreeks, is begeleid door een arts. Dat niet nauwgezet het voorschrift van de arts is gevolgd, doet aan deze kwalificatie niet af. Hierin weegt het Hof de uitzonderlijke omstandigheden mee dat het voor belanghebbende in kader van haar opleiding tot cardioloog noodzakelijk was om in een kort tijdsbestek beduidend veel gewicht te verliezen en dat zij, aangezien de totale multidisciplinaire behandeling in Nederland niet aanwezig was, voor een deel van die behandeling moest uitwijken naar het [C] , waar zij een voor haar specifiek aangepast programma heeft gevolgd. De afwijking van het voorschrift van de arts is hierdoor voldoende gerechtvaardigd en is voorts niet van dien aard dat op grond daarvan niet langer kan worden geoordeeld dat de ondergane behandeling op voorschrift van een arts is gevolgd.
4.8.
Op grond van het overwogene is het Hof van oordeel dat een bedrag van € 12.979 van het in het [C] gevolgde programma als specifieke zorgkosten kan worden beschouwd.
Conclusie
4.9.
Het Hof berekent de aftrek van specifieke zorgkosten op € 11.886 (€ 12.979 minus de drempel van € 1.093). Het belastbare inkomen uit werk en woning dient nader vastgesteld te worden op € 35.389.
SlotsomOp grond van vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van het hoger beroep.

6.Beslissing

Het Hof
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;
  • verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering gegrond; en
  • vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.389.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op
11 april 2017in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma)
(J.W. van Knobelsdorff)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 april 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.