Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:3007

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
7 april 2017
Zaaknummer
21-001499-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring openbaar ministerie wegens te late indiening appelschriftuur

In deze strafzaak heeft de politierechter verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het openbaar ministerie stelde hiertegen hoger beroep in. Volgens artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven indienen. De officier diende deze schriftuur echter pas na deze termijn in, waardoor deze te laat was.

Tijdens de terechtzitting gaf de advocaat-generaal aan niet te weten waarom de schriftuur niet tijdig was ingediend. De raadsman van verdachte bepleitte de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof moest afwegen of het belang van een goede rechtspleging zwaarder woog dan het belang van de naleving van de termijn voor het indienen van de schriftuur.

Het hof oordeelde dat het belang van tijdige indiening van de appelschriftuur zwaarder weegt dan het belang bij behandeling van het hoger beroep. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De voorwaardelijke gevangenisstraf uit een eerdere zaak en de vordering van de benadeelde partij werden eveneens behandeld, waarbij de vordering van de benadeelde niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening van de appelschriftuur.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001499-16
Uitspraak d.d.: 5 april 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 maart 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-000193-16 en 16-008707-16 en de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16-701607-14 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Door de politierechter is verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 maart 2017 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:
 ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep;
 bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;
 veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
 toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16-701607-14 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen;
 de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde] in zijn vordering.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Op 16 maart 2016 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. In artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in moet dienen bij de griffie.
Op 1 april 2016 is door de officier van justitie een schriftuur met grieven ingediend. Dit is niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen. De schriftuur is dus te laat ingediend.
Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat hem niet bekend is waarom de schriftuur niet op tijd is ingediend.
De raadsman van verdachte heeft de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep bepleit.
Het is nu de vraag of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen.
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het belang van het hoger beroep gelegen is in een goede rechtspleging. De politierechter heeft een onjuist oordeel gegeven en had tot een veroordeling moeten komen, aldus de advocaat-generaal.
Het hof oordeelt dat in de onderhavige zaak het belang bij het tijdig indienen van de appelschriftuur zwaarder weegt dan het belang bij de behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,
mr. H.L. Stuiver en mr. M. van Seventer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 5 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M. van Seventer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.