Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging verleende voor gesloten jeugdhulp. De minderjarige was geplaatst in een gesloten accommodatie vanwege vermoedens van problematiek rondom een volwassen man met een strafrechtelijke achtergrond.
De minderjarige betwistte de noodzaak van de gedwongen uithuisplaatsing en stelde dat onvoldoende was aangetoond dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk was. Zij wees op het ontbreken van een gericht behandelplan en dat zij inmiddels positieve ontwikkelingen liet zien, waaronder het naleven van afspraken en terugkeer naar haar grootmoeder en school.
Het hof oordeelde dat het vrijheidsbenemende karakter van gesloten jeugdhulp een zorgvuldige belangenafweging vereist. Het bleek dat de minderjarige niet tijdig volledig was geïnformeerd over de verdenkingen jegens de betrokken man, waardoor zij niet eerder tot de benodigde inzichten kon komen. Dit had mogelijk geleid tot een minder ingrijpende maatregel. Ook ontbrak een duidelijk behandelplan. Daarom vernietigde het hof de beschikking en wees het verzoek tot machtiging af.
Het hof benadrukte dat de spoedmachtiging aanvankelijk terecht was verleend, maar dat de voortzetting niet goed was gemotiveerd. De beslissing werd op 30 maart 2017 in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof vernietigt de machtiging gesloten jeugdhulp en wijst het verzoek tot opname in een gesloten accommodatie af.