Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal tussen de ouders van een minderjarig kind. De rechtbank had eerder een bijdrage van €130 per maand vastgesteld, waartegen de man hoger beroep instelde met meerdere grieven over de draagkrachtberekening van beide ouders en de zorgkorting. De vrouw kwam met een incidenteel hoger beroep en vorderde een hogere bijdrage.
Het hof onderzocht de draagkracht van beide partijen nauwkeurig, waarbij het netto besteedbaar inkomen werd vastgesteld op basis van bruto inkomen, belastingen, premies en toeslagen zoals het kindgebonden budget. De vrouw ontving een ZW-uitkering en had geen verdiencapaciteit, terwijl de man een WW-uitkering ontving en een ontslagvergoeding had ontvangen die zijn inkomen aanvulde.
De zorgkorting werd vastgesteld op 15%, passend bij de omgangsregeling van gemiddeld één dag per week zorg door de man. Omdat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende was om in de behoefte van het kind te voorzien, kon de zorgkorting niet worden verzilverd. Door beslaglegging op het inkomen en rekening houdend met de aanvaardbaarheidstoets, werd vanaf 1 december 2016 geen bijdrage meer van de man verlangd.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en bepaalde dat de man €123 per maand betaalt tot 1 december 2016 en daarna nihil. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke aard van de procedure.
Uitkomst: De man betaalt €123 per maand kinderalimentatie tot 1 december 2016, daarna nihil vanwege inkomensvermindering door beslag.