Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:2162

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
14 maart 2017
Zaaknummer
WAHV 200.169.108
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen boete wegens ontbreken gronden

De betrokkene had tegen een opgelegde sanctie beroep ingesteld, maar het beroepschrift bevatte geen inhoudelijke gronden, met de mededeling dat deze later zouden volgen na ontvangst van informatie via de WOB.

De officier van justitie stelde vast dat de gronden ontbraken en gaf de betrokkene de gelegenheid dit verzuim binnen vier weken te herstellen. De gemachtigde stelde dat het openbaar ministerie niet bevoegd was om bezwaren tegen boetes te behandelen, maar dit werd niet als grond voor het beroep erkend.

Omdat het verzuim niet tijdig werd hersteld, verklaarde de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk. De kantonrechter bevestigde dit oordeel en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze beslissing bij arrest bevestigd.

Het hof benadrukte dat de stelling over de bevoegdheid van het openbaar ministerie geen geldige grond voor het beroep vormt en dat het ontbreken van gronden in het beroepschrift een geldige reden is voor niet-ontvankelijkheid, mits de mogelijkheid tot herstel is geboden.

De uitspraak bevestigt daarmee het belang van het indienen van een volledig en onderbouwd beroepschrift binnen de gestelde termijnen.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van het verzuim.

Uitspraak

WAHV 200.169.108
14 maart 2017
CJIB 174023366
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
van 24 maart 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,
wonende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, omdat de betrokkene, ondanks de geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim, geen gronden heeft aangevoerd in het beroep tegen de inleidende beschikking en het beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de officier van justitie.
2. De gemachtigde voert aan tijdig en onderbouwd beroep te hebben aangetekend tegen de inleidende beschikking.
3. Het hof stelt - voor zover van belang - het volgende vast.
Bij inleidende beschikking van 29 juli 2013 is aan de betrokkene een sanctie opgelegd, waarna de gemachtigde van de betrokkene bij faxbericht van 6 september 2013, ontvangen op 7 september 2013, beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift staat - voor zover hier van belang - het volgende: "De bezwaargronden tegen de beschikking zullen door mij worden geformuleerd na ontvangst van informatie die ik heb opgevraagd met de WOB".
4. Bij brief van 29 oktober 2013 stelt de officier van justitie voor zover hier van belang vast dat de gronden van het beroep ontbreken en dat zodoende sprake is van een verzuim. Vervolgens stelt de officier van justitie (de gemachtigde van) de betrokkene in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief en wijst op de gevolgen van het niet (tijdig) verstrekken van de ontbrekende gegevens. Bij faxbericht van 6 november 2013 laat de gemachtigde, zakelijk weergegeven, weten dat het openbaar ministerie geen bevoegdheid toekomt om bezwaren tegen boetes te behandelen, nu deze bevoegdheid toekomt aan de gemeente Zuidhorn.
5. Bij beslissing van 6 december 2013 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzuim, hoewel ontvangen, niet aan de wettelijke gestelde vereisten voldoet en zodoende niet (tijdig) is hersteld.
6. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Awb dient een beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Indien niet is voldaan aan dat vereiste kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
7. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. De stelling dat het openbaar ministerie niet bevoegd is om bezwaren tegen boetes te behandelen betreft geen reden waarom de inleidende beschikking vernietigd, gewijzigd of herroepen zou moeten worden en kan derhalve niet als grond worden aangemerkt. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk verklaard, nu de gemachtigde het verzuim niet (tijdig) heeft hersteld.
8. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing derhalve bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.