Deze strafzaak betreft de vraag of verdachte op 13 april 2005 een vals taxatierapport heeft opgemaakt waarin de waarde van percelen weiland aan de orde was gesteld. Verdachte werd ervan beschuldigd een te lage waarde van €2.200.000 te hebben vermeld, terwijl volgens andere rapporten de waarde aanzienlijk hoger lag.
De advocaat-generaal stelde dat het rapport vals was en dat verdachte opzet had op die valsheid. Ter onderbouwing werden vier andere taxatierapporten aangevoerd met waarderingen tussen circa €6.800.000 en €8.295.000. Het hof stelde vast dat deze rapporten gebruik maakten van de residuele methode, waarbij de waarde wordt bepaald op basis van toekomstige ontwikkelingsscenario's, terwijl het rapport van verdachte de comparatieve methode hanteerde, gericht op vergelijkbare landbouwgrond.
Het hof oordeelde dat de verschillende waarderingsmethoden de grote verschillen in waarde verklaren en dat het ontbreken van een expliciete vermelding van de gebruikte methode in het rapport van verdachte niet leidt tot valsheid. Ook het feit dat het perceel later voor een hogere prijs werd verkocht, was niet doorslaggevend. Daarom werd verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van opzet en valsheid.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. De zaak werd opnieuw behandeld na terugwijzing door de Hoge Raad, maar het hof kwam tot dezelfde conclusie dat het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen.