Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het verzoekDe ontvankelijkheid van het verzoek
De gronden van het wrakingsverzoek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In de strafzaak met parketnummer 21-001432-17 diende verzoeker tijdens de zitting van 25 oktober 2017 een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren H.J. Deuring, A.J. Rietveld en W.F. van Zant. Verzoeker stelde dat hem ter terechtzitting onterecht werd geweigerd stukken over te leggen en dat het door hem gevraagde onderzoek werd geweigerd, wat volgens hem leidde tot een oneerlijk proces.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 30 november 2017 behandeld en vastgesteld dat het verzoek tijdig en ontvankelijk was. Bij de inhoudelijke beoordeling is overwogen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Het subjectieve standpunt van verzoeker is niet beslissend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Uit het proces-verbaal van de strafzitting bleek dat verzoeker niet werd verhinderd stukken over te leggen en dat het gevraagde onderzoek niet werd geweigerd, maar dat hierover een beslissing bij arrest zou volgen. De wrakingskamer concludeerde dat de aangevoerde gronden feitelijk niet onderbouwd waren en er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of schijn daarvan.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is op 14 december 2017 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit W.P.M. ter Berg, J.D.S.L. Bosch en J.J. Beswerda.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens het ontbreken van feitelijke grondslag voor vooringenomenheid.