Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2015, op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. De moeder is alleen belast met het gezag en is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling voor de periode van twaalf maanden heeft bevolen.
Het hof overweegt dat de vader geen belanghebbende is omdat hij geen gezag heeft en het kind niet verzorgt, maar als informant wordt betrokken vanwege zijn verklaringen. De ondertoezichtstelling is gebaseerd op artikel 1:255 BW Pro, dat stelt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en noodzakelijke zorg niet voldoende wordt geaccepteerd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de bedreiging vooral voortkomt uit de heftige strijd tussen de ouders, wat leidt tot angst, boosheid en een gebrek aan stabiliteit bij het kind. Het hof onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat de moeder onvoldoende inziet dat de ontwikkeling van het kind wordt bedreigd. De moeder erkent zelf dat het kind angstig is en slaapproblemen heeft, en dat plaatsing op een orthopedagogische peuterspeelzaal is mislukt.
De voortdurende conflicten tussen ouders, ook in aanwezigheid van het kind, en de agressieve reacties van de moeder op de vader, maken professionele hulp noodzakelijk. De moeder toont geen bereidheid haar gedrag aan te passen, waardoor het hof geen vertrouwen heeft in vrijwillige acceptatie van hulp. Daarom is de ondertoezichtstelling nodig om de noodzakelijke zorg te waarborgen.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige en wijst het beroep van de moeder af.