Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
6 december 2016
[Z](hierna: belanghebbende)
gemeente Groningen(hierna: de heffingsambtenaar),
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De heffingsambtenaar heeft de waarde van een winkelpand aan de [a-straat] 54 te [A] vastgesteld op € 4.100.000 per 1 januari 2012, voor het kalenderjaar 2013, met toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 3.200.000 voor. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 13 september 2016 verscheen alleen de heffingsambtenaar, die zijn standpunt onderbouwde met een taxatierapport van een WOZ-taxateur. Dit rapport gebruikte marktconforme huurprijzen en kapitalisatiefactoren gebaseerd op recente marktgegevens en referentieobjecten. Belanghebbende was niet aanwezig en kon daardoor haar stellingen niet nader toelichten.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De door belanghebbende aangevoerde grieven over een te hoge huurwaarde en kapitalisatiefactor werden verworpen, mede omdat belanghebbende het leegstandsrisico ter zitting van de rechtbank had prijsgegeven. De rechtbank had de zogenaamde bottom-up benadering terecht afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waarde van het winkelpand blijft vastgesteld op € 4.100.000.