ECLI:NL:GHARL:2016:9716

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
5 december 2016
Zaaknummer
200.191.054/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging partneralimentatie ondanks ontslagvergoeding en WW-uitkering

Het geschil betreft de partneralimentatie die de man aan de vrouw dient te betalen na hun echtscheiding in 2015. De rechtbank had een verzoek van de man tot verlaging van de alimentatie afgewezen. De man ging in hoger beroep met het argument dat zijn draagkracht was verminderd door ontslag en een lager inkomen.

Het hof heeft vastgesteld dat de man sinds augustus 2015 werkloos is en een ontslagvergoeding en WW-uitkering ontvangt. De ontslagvergoeding wordt over een periode van tien maanden als maandelijkse aanvulling op de WW-uitkering meegeteld. Hierdoor is er geen sprake van een relevante inkomensdaling.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro oordeelt het hof dat er geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden is die een verlaging van de partneralimentatie rechtvaardigt. De eerdere beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd en het verzoek tot verlaging afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlaging van de partneralimentatie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.191.054/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/158927/FA RK 15-2285)
beschikking van 29 november 2016
inzake
[verzoeker],
wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S.G. Rissik te Roden,
en
[verweerster],
wonende te [A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E. Blokzijl te Meppel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 3 mei 2016;
- het verweerschrift met productie(s);
- een faxbericht van mr. Rissik van 24 oktober 2016 met als bijlage pagina 2 van de beschikking van 16 juni 2015, op verzoek van het hof.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 oktober 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Bij beschikking van 16 juni 2015 heeft de rechtbank (zoals door partijen ter zitting overeengekomen en voor zover hier van belang) bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand tot de echtelijke woning is verkocht € 500,-- netto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Daarbij is tevens bepaald dat partijen de hoogte van deze bijdrage na verkoop van de echtelijke woning in onderling overleg vaststellen.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank van 16 juni 2015, in die zin dat de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (5 augustus 2015) en totdat de echtelijke woning van partijen is verkocht, wordt bepaald op € 259,-- bruto per maand, afgewezen.
4.2
De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
9 februari 2016. De grieven zien, kort samengevat, op (de onderbouwing van) de verminderde draagkracht van de man na zijn ontslag, vanwege zijn gewijzigde (verlaagde) inkomen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tussen partijen gewezen beschikking van 16 juni 2015 te wijzigen, in die zin dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot 1 februari (naar het hof begrijpt:) 2016 wordt bepaald op € 226,-- per maand en met ingang van 1 februari 2016 tot 3 juni 2016 op € 190,-- per maand, kosten rechtens.
4.3
Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn er (financiële) omstandigheden gewijzigd. Op 3 juni 2016 is de echtelijke woning verkocht. Partijen zijn het erover eens dat deze gewijzigde (financiële) omstandigheden mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd. Tevens is aan de man met terugwerkende kracht, vanaf 3 augustus 2015, alsnog een WW-uitkering toegekend.
4.4
Partijen zijn het er voorts over eens dat het hoger beroep zich beperkt tot de periode van 5 augustus 2015 (datum indiening verzoek) tot 3 juni 2016 (datum verkoop echtelijke woning).

5.De motivering van de beslissing

5.1
De man stelt zich op het standpunt dat zich door zijn werkloosheid een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De man heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat hij door de verlaging van zijn inkomen onvoldoende draagkracht heeft om de overeengekomen partneralimentatie (geheel) te betalen en dat deze bijdrage derhalve niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.3
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man sinds 1 augustus 2015 werkloos is en dat hij daarvoor in dienst was bij [B] tegen een brutosalaris van (afgerond) € 3.989,-- per maand. Dit levert in ieder geval een wijziging van omstandigheden op ten gevolge waarvan de man in zijn verzoek tot wijziging van de hem opgelegde partneralimentatie kan worden ontvangen. Aan de man is bij beschikking van de kantonrechter van 9 juli 2015 ten laste van [B] een ontslagvergoeding toegekend van in totaal € 16.339,32 bruto. Blijkens de betaalspecificatie van het UWV van 24 februari 2016 heeft de man daarnaast over de periode vanaf 3 augustus 2015 tot en met 31 januari 2016
met terugwerkende kracht een WW-uitkering ontvangen van in totaal € 17.364,70, zijnde (afgerond) € 2.894,-- bruto per maand. Volgens de man ontvangt hij vanaf 1 februari 2016 een WW-uitkering van (afgerond) € 2.850,-- bruto per maand, zoals ook blijkt uit de door hem overgelegde betaalspecificaties van het UWV over de maanden maart en april 2016.
5.4
Anders dan de man is het hof van oordeel dat de door hem ontvangen ontslag-vergoeding dient te worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van zijn inkomen
vanaf augustus 2015 als aanvulling op zijn WW-uitkering. Dat de man de ontslagvergoeding voor een groot deel heeft aangewend om zijn advocaatkosten te voldoen, zoals door hem aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Wanneer over de aan het hof voorliggende periode van 5 augustus 2015 tot 3 juni 2016 naast de door de man ontvangen WW-uitkering tevens rekening wordt gehouden met de toegekende ontslagvergoeding, die berekend over een periode van tien maanden € 1.634,-- bruto per maand bedraagt, dan is over die periode van een inkomensvermindering ten opzichte van de periode dat de man nog in loondienst bij [B] was geen sprake.
5.5
Gelet op het voorgaande, komt ook het hof, zij het op andere gronden dan de rechtbank, tot de conclusie dat de draagkracht van de man in de periode van 5 augustus 2015 tot 3 juni 2016 ongewijzigd is gebleven. Van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro ten aanzien van het inkomen van de man in de genoemde periode, die een hernieuwde beoordeling van zijn draagkracht rechtvaardigt, is dan ook geen sprake.
5.6
Nu het hof van oordeel is dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro, behoeft hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht geen nadere bespreking.

6.De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking, met verbetering van gronden, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
9 februari 2016;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en H.J. de Ruijter, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 29 november 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.