Uitspraak
[appellante],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde1],
[geïntimeerde2],
[geïntimeerden] c.s.,
1.Het geding in eerste aanleg
17 juni 2015 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle,
heeft gewezen.
2.Het geding in hoger beroep
bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.De vaststaande feiten
[C] met ingang van 1 september 2014 € 304,00 per kind per maand aan [appellante] dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en € 656,00 per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [appellante] . Bij beschikking van 22 april 2015 heeft de rechtbank met ingang van die datum de bijdrage per kind verlaagd vastgesteld op € 175,00 per maand. In juli 2016 heeft de rechtbank de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen nader vastgesteld op € 286,- per kind per maand en de bijdrage in het levensonderhoud van [appellante] op nihil.
'op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derde-beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de schuldenaar (...)'voor onder meer een hoofdsom van € 3.773,94 en een pro memoriepost van de alimentatie van € 1.886,97 per maand. Het exploot is op 20 april 2015 aan [C] overbetekend.
'Met de prestatietoeslag die op 30 april op de vrije ledenrekening gestort wordt zullen wij
4.De procedure in eerste aanleg
Hoewel [geïntimeerden] c.s. hun zoon mede hebben gedagvaard, zijn hun vorderingen uitsluitend tegen [appellante] gericht. Zij hebben – kort samengevat – gevorderd het beslag op te heffen, [appellante] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] c.s. van al hetgeen vanwege de beslaglegging ten nadele van [geïntimeerden] c.s. is ingehouden en [appellante] te verbieden om ten laste van [C] opnieuw beslag te leggen onder FrieslandCampina zolang diens aandeel in de maatschap met [geïntimeerden] c.s. niet nader zal zijn bepaald en verdeeld.
[C] is in eerste aanleg niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
- [appellante] heeft erkend dat het melkgeld een vordering van de maatschap is;
- de prestatietoeslag een toeslag is op het melkgeld en derhalve evenzeer tot het vorderingsrecht van de maatschap behoort;
en heeft geoordeeld dat het er daarom voorshands voor moet worden gehouden dat FrieslandCampina schuldenaar van de maatschap is, zodat het beslag onrechtmatig is.
De voorzieningenrechter heeft het beslag opgeheven en heeft [appellante] verboden beslag te leggen onder FrieslandCampina op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren en heeft de proceskosten gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde, waaronder de vordering van [geïntimeerden] c.s. tot terugbetaling van al hetgeen vanwege de beslaglegging is ingehouden, is afgewezen.
5.Nietigheid van het appelexploot? Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep?
De voorzieningenrechter heeft op vordering van [geïntimeerden] c.s. het door [appellante] onder FrieslandCampina gelegde derdenbeslag opgeheven en [appellante] verboden beslag te leggen op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren.
[C] was in de procedure in eerste aanleg geen eiser, maar gedaagde. Nu tegen hem geen vordering is ingesteld, is in het vonnis ook geen oordeel uitgesproken ten aanzien van hem. Het beroep dat [geïntimeerden] c.s. op artikel 140 lid 3 Rv Pro hebben gedaan, kan aan die constatering niet afdoen. Er bestond voor [appellante] , die opkomt tegen toewijzing van de door [geïntimeerden] c.s. tegen haar ingestelde vorderingen, dan ook geen noodzaak om [C] in het hoger beroep te betrekken. Van een gebrek dat tot nietigheid van de appeldagvaarding leidt, is naar het oordeel van het hof daarom geen sprake.
De omstandigheid dat [C] niet in dit hoger beroep is betrokken, vormt dan ook geen beletsel voor het hof om te oordelen over het tussen [appellante] en [geïntimeerden] c.s. aanhangige geschil. [appellante] is ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.
6.De beoordeling van de grieven
onderschrijft blijkens de toelichting op haar grieven het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vorderingsrechten waarop zij beslag heeft gelegd toebehoren aan de maatschap. Zij betoogt evenwel dat dat niet betekent dat zij geen vordering zou kunnen hebben op de tegoeden die [C] heeft op de maatschap en dat het haar om het even is waar die tegoeden zich bevinden, aangezien zij naar haar mening beslag kan en mag leggen op het maatschapsaandeel van [C] .
[appellante] meent dat het bepaalde in art. 3:190 lid 1 BW Pro er niet aan in de weg staat dat zij zich op de tegoeden van de maatschap bij FrieslandCampina verhaalt, ook niet in de onderhavige situatie waarin [geïntimeerden] c.s. daarvoor geen toestemming hebben gegeven. [appellante] stelt dat zij het beslag wel mocht leggen omdat geld een genusgoed is. Verder stelt zij zich op het standpunt dat [geïntimeerden] c.s. geen enkel rechtens te respecteren belang hebben bij hun vorderingen en misbruik van recht maken door hun toestemming aan de executie te onthouden, aangezien zij hun kleinkinderen en ex-schoondochter daarmee hun levensonderhoud onthouden.
maatschapjegens FrieslandCampina heeft. [appellante] gaat met haar redenering voorbij aan de aard van de maatschap. Een maatschap is een bijzondere gemeenschap met een afgescheiden vermogen. De schuldeisers van een deelgenoot in zo’n bijzondere gemeenschap kunnen een aandeel in een tot die gemeenschap behorend goed niet uitwinnen zonder toestemming van de overige deelgenoten (art. 3:190 lid 1 BW Pro). Dat betekent dat [appellante] het aandeel van [C] in de tot het maatschapsvermogen behorende vorderingsrechten niet kan uitwinnen zonder toestemming van de overige deelgenoten, in casu [geïntimeerden] c.s.
Het hof is van oordeel dat het belang van [geïntimeerden] c.s. bij hun vorderingen hiermee is gegeven.
Dat zij misbruik zouden maken van recht door hun toestemming aan de executie te onthouden, is door [appellante] in het geheel niet onderbouwd en is het hof ook overigens niet gebleken.
‘ [appellante] te verbieden om ten laste van [C] opnieuw beslag te leggen onder FrieslandCampina zolang het aandeel van [C] in de maatschap met [geïntimeerden] c.s. niet nader zal zijn bepaald en verdeeld.’De voorzieningenrechter heeft de vordering als volgt toegewezen:
‘verbiedt [appellante] beslag te leggen onder FrieslandCampina op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren’.
ten laste van[C] , maar ieder beslag op vorderingsrechten van de maatschap in de toekomst verbiedt.
7.De slotsom
8.De beslissing
verbiedt [appellante] om ten laste van [C] opnieuw beslag te leggen onder FrieslandCampina op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren;