Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De man en vrouw zijn gehuwd geweest en hebben een meerderjarige zoon. Na een scheiding is de vrouw partneralimentatie gaan vorderen. De rechtbank kende haar een uitkering van €236 bruto toe, waartegen de vrouw in hoger beroep ging en een hoger bedrag vorderde. De man betwistte de behoeftigheid van de vrouw en de draagkrachtberekening.
Het hof oordeelde dat de vrouw een verdiencapaciteit van €1.000 netto per maand toekomt, waardoor haar resterende behoefte €968 netto bedraagt. De man is zzp-er met wisselende inkomsten; het hof achtte het redelijk om de draagkracht te berekenen op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over zes jaar (2010-2015). Het vermogen en het rendement daarop werden buiten beschouwing gelaten omdat het vermogen tussen partijen was verdeeld.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op €970 netto per maand, waarvan 60% (€582) beschikbaar is voor alimentatie, wat neerkomt op €1.003 bruto per maand. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde de alimentatie op dit bedrag met ingang van 19 oktober 2015.
Uitkomst: De man moet vanaf 19 oktober 2015 €1.003 bruto per maand partneralimentatie betalen.