Uitspraak
in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijke tegenverzoek,
in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek,
1.1. Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de op 14 september 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De feiten
4.Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan
5.De beoordeling in hoger beroep
[collega 1] bij [leidinggevende] heeft aangegevendat [verzoekster] er moeite mee had zich te conformeren aan de werkwijze van [verweerster] .
En verwacht niet te veel van die [collega 3] , [collega 2] heeft het ook allemaal maar nauwelijks onder de knie”, zie de e-mail van 15 september 2015; “
maar [collega 1] dreigt een nagel aan mijn doodskist te worden.”, zie de e-mail van 17 september 2015). Er ontstonden strubbelingen tussen [verzoekster] en [leidinggevende] over de praktische aspecten van het werk, zoals vakantiedagen en werktijden, waarin [verzoekster] eigengereid opereerde, zoals blijkt uit de tekst van de e-mails van bijvoorbeeld 14, 21 en 23 oktober 2015 (‘
geen gezeur over vakantiedagen’, ‘
ik ga eens een tijdje proberen om om 15.30 uur naar huis te gaan’). [verzoekster] heeft voorts het vertrouwen in [leidinggevende] opgezegd. Weliswaar heeft [verzoekster] in de toelichting op grief II (onder 22 van het beroepschrift) betwist het vertrouwen in [leidinggevende] te hebben opgezegd, maar nadat [verweerster] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep de desbetreffende e-mail van [verzoekster] had voorgelezen, waarin zij letterlijk het vertrouwen in [leidinggevende] opzegt, heeft [verzoekster] desgevraagd niet ontkend dat zij dat geschreven heeft. [verweerster] heeft daarop gereageerd door met [leidinggevende] , [collega 1] en [verzoekster] twee gesprekken te voeren, op 3 november 2015 en 27 november 2015, bedoeld om de werkrelatie te verbeteren. In die situatie bleek vervolgens dat [verzoekster] op 30 oktober 2015 aan haar [collega 4] de onder 3.14 geciteerde e-mail heeft verstuurd. [verzoekster] heeft op 3 december 2015, toen zij met die e-mail werd geconfronteerd, niet uitdrukkelijk van de inhoud afstand genomen.