Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de kantonrechter. Appellant betaalde het griffierecht van €718 niet tijdig, waardoor ontslag van de instantie werd gevorderd door geïntimeerde. Appellant deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv, stellende dat hij door betalingsonmacht niet tijdig kon betalen.
Het hof heeft overwogen dat appellant onvoldoende concreet en met stukken onderbouwd heeft aangetoond dat hij buiten staat was het griffierecht binnen de termijn te voldoen. Zelfs bij veronderstelde betalingsonmacht ontbraken bijkomende omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Daarom heeft het hof het beroep op de hardheidsclausule verworpen en ontsloeg geïntimeerde van de instantie. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, terwijl de kosten aan de zijde van geïntimeerde tot aan dit arrest nihil werden vastgesteld.
Uitkomst: Appellant wordt ontslagen van de instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het beroep op de hardheidsclausule wordt afgewezen.