Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake de kinderalimentatie voor [kind1], het kind van partijen. De man had verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op nihil te stellen, hetgeen door de rechtbank was toegewezen met ingang van 12 februari 2015. De vrouw kwam in hoger beroep met een grief over de toepassing van het kindgebonden budget in de draagkrachtberekening.
Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het kindgebonden budget in mindering bracht op de behoefte van het kind, in strijd met een recente uitspraak van de Hoge Raad. Het hof herrekent de draagkracht van de man en stelt deze vast op €78 per maand, rekening houdend met zijn inkomen en de verdeling over zijn drie kinderen. De vrouw heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar inkomen, maar het hof acht haar draagkracht gering.
De man voerde een beroep op de onaanvaardbaarheidstoets aan vanwege schulden en lasten, maar het hof vindt dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat betaling van de alimentatie tot een onaanvaardbare situatie leidt. De ingangsdatum van de nieuwe alimentatie wordt gesteld op de datum van het arrest, omdat een eerdere terugwerkende kracht tot 12 februari 2015 onredelijk zou zijn gezien de omstandigheden. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: De man moet met ingang van het arrest €79,01 per maand betalen aan kinderalimentatie, het beroep op onaanvaardbaarheid faalt.